Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
Voor een bewezenverklaring van het medeplegen van een poging tot doodslag geldt dat het opzet van de verdachte zowel op de nauwe en bewuste samenwerking met zijn mededader(s) als op de verwezenlijking van dat tenlastegelegde grondfeit moet zijn gericht. In dit geval moet daarom uit de bewijsvoering onder meer kunnen volgen dat het opzet van de verdachte erop was gericht om tezamen en in vereniging met anderen [slachtoffer] van het leven te beroven, door met dat opzet die [slachtoffer] meermalen met een mes in de nek te steken en met een tondeuse en met bezems en vuisten op het hoofd te slaan.
Vervolgens heeft het hof onder het kopje ‘medeplegen’ geoordeeld dat in de kern sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering van de geweldshandelingen tegen de aangever omdat de verdachten, kort gezegd, na het gezamenlijk betreden van de kapperszaak vrijwel onmiddellijk gewelddadig zijn geworden en daarbij allen fors geweld hebben gepleegd jegens [slachtoffer] , welk geweld er wat betreft de verdachte uit bestond dat hij [slachtoffer] met een hard voorwerp op een kwetsbaar lichaamsdeel, namelijk het hoofd heeft geslagen. Het hof heeft op grond daarvan geoordeeld dat verdachtes “voorwaardelijk opzet op de samenwerking zich mede uitstrekte tot de geweldshandelingen die beide medeverdachten hebben verricht, waaronder het steken in de nek door [medeverdachte 2] ”, dat “ook dit steken mede voor zijn rekening dient te komen” en dat de verdachte daarom “de aanmerkelijke kans op het overlijden van het slachtoffer als gevolg daarvan ook, willens en wetens heeft aanvaard.”
3.Beslissing
13 januari 2026.