2.2.1Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 11 december 2015 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met anderen, met dat opzet, die [slachtoffer] meermalen met een mes, in de nek heeft gestoken, en met een tondeuse en meermalen met bezems en vuisten op het hoofd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
2.2.2Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.3, waaronder de volgende bewijsmiddelen:
“10. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 11 december 2015, opgenomen op pagina 405 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 2] :
Op 11 december 2015 was ik aan het werk in de kapperszaak [A] aan de [a-straat] te [plaats] . Ik zag dat de 3 mannen in de richting van [slachtoffer] liepen. Ik zag dat [slachtoffer] in de kappersstoel zat. Ze kwamen boos en dreigend binnen. Ik zag dit aan de manier van doen en ze spraken erg dreigend tegen [slachtoffer] . Ik hoorde onder meer iets van: 'we hebben je gewaarschuwd, dit moet je niet zeggen/had je niet moeten zeggen' althans dat soort woorden.
Ik zag dat dader 1 (Het hof begrijpt: verdachte) een tondeuse pakte en hiermee [slachtoffer] keihard op zijn hoofd sloeg. Ik zag ook dat twee anderen met stokken op [slachtoffer] insloegen.
Ik zag dat een van de drie een mes in zijn handen had en hiermee opzettelijk en met kracht in de richting van [slachtoffer] zijn nek stak.
De vechtpartij tussen [slachtoffer] en die drie mannen ging tot aan de ingangsdeur.
11. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] bij de rechter-commissaris d.d. 15 november 2016, voor zover inhoudende:
Het was half zes en we zouden dichtgaan. Ik was alles aan het opruimen en afronden. Toen kwamen ze binnen. (...) De mannen liepen gelijk na binnenkomst naar de stoel waar [slachtoffer] (het hof begrijpt telkens: aangever [slachtoffer] ) in zat. De raadsvrouw houdt mij voor een gedeelte uit mijn verklaring waarin ik zeg dat de mannen boos en dreigend liepen. Dit klopt. De drie mannen gingen om de stoel van [slachtoffer] heen staan. [verdachte] stond bij de spiegel en begon te slaan. [verdachte] sloeg [slachtoffer] met een tondeuse. Ik heb gezien dat hij deze heeft gepakt vanaf de lader. [slachtoffer] kreeg toen van alle kanten klappen. Hij beschermde zichzelf. (...) Ik heb niet gezien of iemand een mes heeft gebruikt. Het mes zat wel onder het bloed. Na de eerste klap ging [slachtoffer] een beetje naar achteren. Ze begonnen toen alle drie te slaan. (...) Ik heb wel gezien dat de houten bezem kapot is gegaan. Dit is door het slaan gebeurd.
12. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 11 december 2015, opgenomen op pagina 410 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 3] :
Vandaag, 11 december 2015, was ik aan het werk in de kapperszaak [A] aan de [a-straat] te [plaats] .
[verdachte] kwam de kapperszaak in met [medeverdachte 2] en hun aangetrouwde zwager [medeverdachte 1] . Ze begonnen alle drie tegen [slachtoffer] . Ik zag dat [verdachte] een tondeuse van de zaak pakte en hiermee [slachtoffer] op zijn hoofd sloeg. Het was allemaal bloed en de tondeuse van 200 euro is kapot.
Ik zag dat een van de drie een mes in zijn handen had en hiermee [slachtoffer] in de rug stak.
Ik zag ook dat er met stokken op [slachtoffer] in werd geslagen. Later bleek mij dat de bezems uit de zaak op [slachtoffer] zijn hoofd en lichaam zijn kapot geslagen.
13. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 11 december 2015, opgenomen op pagina 414 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 1] :
Vandaag, 11 december 2015, was ik aan het werk in de kapsalon ‘ [A] ’ aan de [a-straat] te [plaats] . Op het moment dat [slachtoffer] werd geknipt liepen er drie mannen de zaak binnen. Ik zag direct dat de drie mannen die de zaak binnen kwamen dat dat niet goed was. Ik voelde dat zij iets gingen doen. Ik dacht oh god. Ze gingen om de stoel staan waar [slachtoffer] op zat, zodat [slachtoffer] geen kant op kon. Er werd maar heel kort gesproken en daarna werd er al heel snel geslagen. Door alle drie de mannen werd vervolgens op [slachtoffer] ingeslagen. Er werd steeds op zijn hoofd geslagen. Daarbij werd gebruik gemaakt van de tondeuse, van vuisten, van bezems, van alles wat ze maar in hun handen konden krijgen. Ik zag dat het bloed uit [slachtoffer] zijn hoofd gutste. Op een gegeven moment zag ik dat [slachtoffer] werd gestoken. Hij werd gestoken in een van zijn armen. Ze sloegen [slachtoffer] echt de hele zaak door. [slachtoffer] zat dus niet meer in de stoel.
19. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt relaas proces-verbaal, betreffende uitkijken beelden bewakingscamera’s [C] d.d. 22 december 2015, opgenomen op pagina 509 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:
Camera 3 is gericht richting [...] / [...] / [...] . De gehele voorzijde van kapperszaak [A] is zichtbaar.
De aangeleverde opnames zijn opgenomen op 11 december 2015 tussen 17:00 en 18:00 uur.
Beschrijving beelden:
18:41:17 (Het hof begrijpt: 17:41:17): Aan de overkant van de gracht is een groepje van 3 mannen zichtbaar. Deze 3 mannen, allen donker gekleed, lopen in de richting van de kapperszaak.
17:42:21: Een donker geklede man komt bij kapperszaak " [A] ” naar buiten. Hij blijft bij de deur staan en houdt de deur open. Dit is ongeveer 1 minuut en 10 seconden nadat de 3 mannen de kapperszaak binnen zijn gegaan.”
2.2.3Het hof heeft over de bewezenverklaring verder onder meer overwogen:
“Vaststelling van de feiten
Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte op 11 december 2015 zich met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] buiten heeft verzameld, dat zij gezamenlijk kapperszaak [A] te [plaats] zijn binnengegaan en dat zij bij binnenkomst dreigend gezamenlijk naar aangever [slachtoffer] zijn gelopen en de kappersstoel waarin deze zich bevond, hebben omringd. Daarbij stond [medeverdachte 1] vanuit aangever gezien links, verdachte rechts en [medeverdachte 2] achter aangever. Vervolgens zijn de drie verdachten ieder vrijwel direct overgegaan tot het gelijktijdig uitoefenen van grof geweld tegen aangever, waarbij aangever onder meer met harde voorwerpen – stokken en/of bezems en een tondeuse – en met vuisten tegen zijn hoofd is geslagen en tweemaal met een mes is gestoken in zijn nek (bovenaan de rug) en nadien in zijn rechterarm. Het hof stelt op grond van de positionering van de verdachten en de locatie van de twee steek/snijverwondingen van aangever in de nek vast dat medeverdachte [medeverdachte 2] deze heeft toegebracht. Verdachte is, onder meer blijkens zijn eigen verklaring, degene geweest die aangever met een tondeuse op zijn hoofd heeft geslagen. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft aangever met een stok of bezem en met zijn vuisten op diens hoofd geslagen. Aangever is evenwel ook op andere posities op zijn lichaam gewond geraakt. In de kapperszaak heeft een worsteling tussen aangever en de verdachten plaatsgevonden die tot aan de voordeur van de kapperszaak voortduurde. Getuige [getuige 1] verklaart onder meer dat zij heeft gezien dat aangever op een gegeven moment met een mes in zijn rechterarm werd gestoken door een van de drie mannen.
Het hof leidt uit de beschrijving van camerabeelden af dat de kapperszaak om 17:41:17 uur gezamenlijk door verdachte en zijn mededaders wordt benaderd en binnengegaan en dat de zaak vervolgens om 17:42:21 uur weer wordt verlaten. Het toegepaste geweld heeft zodoende binnen een tijdsbestek van iets meer dan één minuut plaatsgevonden. In dat korte tijdsbestek vindt het hof bevestiging van hetgeen aangever, getuigen [getuige 1] en [getuige 2] verklaren over het door verdachte en zijn medeverdachten vrijwel direct na binnenkomst van de zaak toegepaste geweld.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – in dit geval de dood – is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg heeft aanvaard.
Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft zoals hiervoor vastgesteld twee keer met een mes laag in de nek, ter hoogte van de bovenrug van aangever gestoken. Zoals overwogen stond [medeverdachte 2] op dat moment achter aangever die in een kappersstoel zat. Aangever bevond zich zodoende in een positie waarin hij kwetsbaar was. Algemeen bekend is dat in de nabijheid van de plaats waar gestoken is slagaders en longen liggen en dat het aldus een kwetsbaar gedeelte van het menselijk lichaam is.
De gedragingen van [medeverdachte 2] waren dan ook geëigend om de dood te kunnen laten intreden. Het hof neemt bij dat oordeel in overweging dat de gevaarzetting van messteken onder in de nek c.q. boven in de rug volgt uit het NFI-rapport van 28 juli 2023. Uit dat rapport volgt dat het lemmet van het mes een lengte heeft van ongeveer 9 centimeter. De omstandigheid dat het geconstateerde steek- of snijletsel in de nek respectievelijk bovenrug uiteindelijk geen potentieel dodelijk letsel heeft opgeleverd, staat aan het aannemen van voorwaardelijk opzet geenszins in de weg. Het gaat immers om de vraag of sprake is geweest van zodanig gevaarzettend handelen dat daarmee een aanmerkelijke – en reële – kans in het leven is geroepen dat het slachtoffer daardoor zou komen te overlijden. Naar het oordeel van het hof kan het tweemaal steken in de nek/rug met een mes met een lemmet van de vastgestelde lengte naar de uiterlijke verschijningsvorm zonder meer worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op het toebrengen van dat gevolg, dat het – behoudens contra-indicaties, waarvan het hof niet is gebleken – niet anders kan zijn dan dat in ieder geval [medeverdachte 2] de aanmerkelijke kans op dit gevolg bewust heeft aanvaard. Aldus heeft [medeverdachte 2] willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever als gevolg van zijn handelen zou overlijden en is het opzet van [medeverdachte 2] in voorwaardelijke zin daarop gericht geweest.
Naar het oordeel van het hof heeft ook verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer gehad, zoals hierna onder het kopje medeplegen zal worden overwogen.
Voor een veroordeling wegens medeplegen houden de voorwaarden voor aansprakelijkstelling vooral in dat sprake moet zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De kwalificatie medeplegen is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is.
Het hof is van oordeel dat in de onderhavige zaak in de kern sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering van de geweldshandelingen jegens aangever. De verdachten hebben zich buiten verzameld, zijn gezamenlijk de kapperszaak binnengegaan waarbij zij een dreigende indruk maakten en vrijwel onmiddellijk gewelddadig zijn geworden richting aangever. Het hof acht bewezen dat alle verdachten fors geweld hebben gepleegd jegens aangever, zoals hiervoor is vastgesteld. Zij hebben gezamenlijk en tegelijkertijd verschillende geweldshandelingen verricht en hebben door zo te handelen elkaar versterkt in hun geweld tegen aangever. Gelet op het forse geweld dat verdachte daarbij ook zelf met een hard voorwerp op een kwetsbaar onderdeel van het lichaam, namelijk het hoofd van aangever heeft uitgeoefend, is het hof van oordeel dat zijn voorwaardelijk opzet op de samenwerking zich mede uitstrekte tot de geweldshandelingen die beide medeverdachten hebben verricht, waaronder het steken in de nek door [medeverdachte 2] . Gelet op het ver strekkende geweld dat verdachte ook zelf heeft gebruikt, moet worden geoordeeld dat ook dit steken mede voor zijn rekening dient te komen en dat hij de aanmerkelijke kans op het overlijden van het slachtoffer als gevolg daarvan ook, willens en wetens heeft aanvaard. Het hof is derhalve van oordeel dat verdachte en zijn medeverdachten als medeplegers dienen te worden aangemerkt.”