Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
17 maart 2026.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 april 2024, waarin verdachte werd bewezenverklaard het opzettelijk aanwezig hebben van 28,7 kilogram hennep op een woonboot.
Het hof baseerde zijn oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder proces-verbalen van bevindingen, verhoren, getuigenverklaringen en een whatsapp-gesprek. De hennep was aangetroffen in de kelder van de woonboot van de oom van verdachte, waar verdachte verbleef. Het hof achtte het niet aannemelijk dat verdachte niets van de hennep wist, gelet op de geur, het lawaai bij het binnenbrengen en de tegenstrijdige verklaringen van verdachte.
De Hoge Raad herhaalde de relevante criteria voor 'aanwezig hebben' onder de Opiumwet, waarbij feitelijke macht en opzet vereist zijn. De Hoge Raad oordeelde echter dat de omstandigheden onvoldoende zijn om met de vereiste mate van zekerheid vast te stellen dat verdachte opzettelijk de hennep aanwezig heeft gehad. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting.
De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige bewijsvoering omtrent wetenschap en beschikkingsmacht bij het aanwezig hebben van verdovende middelen, en bevestigt de jurisprudentie over de uitleg van 'aanwezig hebben' in de Opiumwet.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest en wijst zaak terug wegens onvoldoende bewijs voor opzettelijk aanwezig hebben van hennep.