2.2.1Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij in de periode 1 juli 2016 tot en met 29 november 2017 te [plaats] en elders in Nederland en in Duitsland, meermalen
a) telkens van voorwerpen, te weten
- een groot aantal bitcoins
de herkomst heeft verhuld, en heeft verhuld wie genoemde voorwerpen voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat bovenomschreven voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf,
terwijl hij, verdachte, van het plegen van dat feit een gewoonte heeft gemaakt,
b) telkens voorwerpen, te weten
- een groot aantal bitcoins
heeft verworven en voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en heeft omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven goederen en geldbedragen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf,
terwijl hij, verdachte, van het plegen van dat feit een gewoonte heeft gemaakt.”
2.2.2Het hof heeft over de bewezenverklaring overwogen:
“Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder a en b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Indien de verdachte zo’n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Vermoeden van witwassen
Het hof leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden af. In november 2017 is informatie ontvangen van [A] waaruit blijkt dat de verdachte daar een account had. Verder blijkt uit de informatie van [A] dat door de verdachte verschillende transacties zijn uitgevoerd via zijn account. In totaal zijn er 625,3 bitcoins gestort op het account van de verdachte bij [A] . Deze bitcoins zijn op verschillende wijzen besteed:
- In de maand oktober 2017 is een totaalbedrag van € 5.412,00 overgeschreven naar een tweetal bankrekeningen. Deze bankrekeningen staan op naam van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] .
- In de maanden oktober 2016 tot en met september 2017 zijn er 193,1 bitcoins, met een tegenwaarde van € 199.326,85, overgeboekt naar bitcoinadressen die behoren bij [B] . De kaart met [nummer 1] is met deze bitcoins geladen.
- In de maanden november en december 2016 zijn in totaal 107,47 bitcoins met een tegenwaarde van € 76.165,00 naar een onbekend bitcoinadres verstuurd.
- Aan het [A] account van de verdachte zijn twee Visa prepaid debetkaarten gekoppeld, te weten de prepaid USD kaart met [nummer 2] en de prepaid EUR kaart met [nummer 3] . Beide kaarten zijn geladen, doordat de bitcoins zijn omgezet in respectievelijk dollars en euro’s. Op de kaart met [nummer 2] hebben in de maanden maart tot en met juni 2017 stortingen plaatsgevonden tot een totaal geldbedrag van $ 20.695,45 (omgerekend in Euro, op basis van de slotkoers op de dag van de respectievelijke transacties: € 19.012,30). Op de kaart met [nummer 3] hebben in de maanden oktober 2016 tot en met november 2017 stortingen plaatsgevonden tot een totaal geldbedrag van € 313.344,77.
In totaal vertegenwoordigen de omgezette bitcoins derhalve een geldwaarde van € 5.412,00 + € 199.326,85 + € 76.165,00 + € 313.344,77 + € 19.012,30 = € 613.260,92.
Er is onderzoek gedaan naar het inkomen, de bezittingen en de eenmanszaak van de verdachte. Daaruit blijkt het volgende. De laatst bekende loongegevens van de verdachte dateren uit 2011. De verdachte ontving toen een UWV-uitkering van € 3.802. Vanaf 2012 zijn er geen loongegevens meer bekend van de verdachte. Verder had de verdachte in de jaren 2014 en 2015 een bankrekening. Het saldo op die rekening bedroeg in beide jaren € 0,-. Sinds 2015 zijn er geen bankrekeningen meer bekend van de verdachte in Nederland. Van de verdachte zijn evenmin andere bezittingen bekend. Weliswaar heeft de verdachte blijkens informatie van de Kamer van Koophandel vanaf 1 april 2000 een eenmanszaak gehad die zich zou bezighouden met de verkoop van auto's, maar de KvK-inschrijving van die eenmanszaak is op 10 januari 2011 ambtshalve doorgehaald wegens opheffing van de onderneming.
Het hof stelt vast dat er geen direct brondelict valt aan te wijzen voor de herkomst van de eerdergenoemde bitcoins. Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. De verdachte beschikte vanaf 2012 niet over een legale inkomensbron, terwijl hij wel kon beschikken over een groot aantal bitcoins. Van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat die bitcoins niet van misdrijf afkomstig zijn.
Verklaring van de verdachte
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij in de periode 2012 - 2013 door tussenkomst van [getuige 1] 1.982 bitcoins van [betrokkene 3] heeft verkregen tegen betaling van € 12.000,00. Ter onderbouwing van deze verklaring wijst de verdachte op een borgstellingsverklaring ondertekend door [getuige 1] en [betrokkene 3] . Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte in aanvulling hierop nog verklaard dat hij de bitcoins heeft ontvangen via een stickje (het hof begrijpt: een USB-stick).
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat de verklaringen van de verdachte niet voldoen aan de hierboven genoemde vereisten. De verdachte heeft enkel gesteld dat hij bitcoins heeft verkregen. Hij heeft niet inzichtelijk gemaakt om welke bitcoins het ging. Dat had bijvoorbeeld gekund door het verstrekken van informatie over een concreet bitcoinadres of een specifieke wallet. Aldus heeft de verdachte niet inzichtelijk gemaakt wat de relatie is tussen de door hem verkregen bitcoins en de bitcoins die zijn gestort op zijn account bij [A] . Tevens heeft de verdachte verklaard dat hij de bitcoins heeft ontvangen via een stickje. Het hof begrijpt dat de verdachte hiermee op een hardware-wallet doelt. Hij heeft deze echter niet aan politie en justitie verstrekt teneinde nader onderzoek te kunnen doen naar de herkomst van de bitcoins en daarmee (de onderbouwing van) zijn verklaring te kunnen laten toetsen.
Bij gebrek aan een afdoende verklaring omtrent de legale herkomst van de bitcoins is het hof van oordeel dat de verdachte het gerechtvaardigd vermoeden omtrent een niet-legale herkomst van de bitcoins niet heeft ontzenuwd en dat het niet anders kan dan dat die bitcoins - middellijk of onmiddellijk - uit enig misdrijf afkomstig zijn.
De verdachte heeft de herkomst van de bitcoins verhuld door omzetting daarvan in euro’s en dollars om vervolgens een deel van die geldbedragen naar bankrekeningen van anderen te versturen en door een ander deel van die geldbedragen op debetkaarten te zetten die zijn uitgegeven door de buitenlandse bedrijven [A] en [B] .
Gelet op de omvang van de geldbedragen en de frequentie van het omzetten van bitcoins in euro’s en dollars in de periode van oktober 2016 tot en met november 2017 acht het hof ook bewezen dat sprake is van gewoontewitwassen.
Nu aan het dossier en het verhandelde ter zitting geen aanwijzingen kunnen worden ontleend dat hierbij een of meer anderen een zodanige rol hebben gespeeld dat sprake is van medeplegen, zal het hof de verdachte vrijspreken van het tenlastegelegde medeplegen.
Nu het hof heeft vastgesteld dat er geen direct brondelict valt aan te wijzen voor de herkomst van de bitcoins, en de tenlastelegging zowel spreekt over het witwassen van bitcoins als van geld in euro’s, moet worden vastgesteld welk voorwerp of voorwerpen subject van deze beoordeling is dan wel zijn. Namens het Openbaar Ministerie is betoogd dat beide (categorieën van) voorwerpen dienen te worden bewezenverklaard. Het hof is echter van oordeel dat zulks, gezien het ontbreken van een aanwijsbaar brondelict, geen recht zou doen aan hetgeen in werkelijkheid heeft plaatsgevonden. Die werkelijkheid is dat bitcoins die aan de verdachte toebehoorden en moeten worden geacht van (enig) misdrijf afkomstig te zijn, zijn omgezet in euro's en dollars. Het hof heeft daarom alleen het witwassen van een grote hoeveelheid bitcoins bewezenverklaard en niet eveneens het witwassen van de tegenwaarde daarvan in euro’s. Dan zou immers sprake zijn van een niet te rechtvaardigen dubbeltelling.
Conclusie
Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich in de periode van 1 oktober 2016 tot en met 29 november 2017 schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van bitcoins waarmee een bedrag van in totaal € 613.260,92 was gemoeid.”