ECLI:NL:HR:2026:448

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
25/04087
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 2 lid 2 sub a Uitleveringsverdrag Nederland-Verenigde StatenArt. 2 lid 5 Uitleveringsverdrag Nederland-Verenigde StatenArt. 5 lid 1 sub a UitleveringswetArt. 94 Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart uitlevering toelaatbaar voor accessory after the fact of murder ondanks lagere rechtbank oordeel

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland over een uitleveringsverzoek van de Verenigde Staten van Amerika. De opgeëiste persoon wordt verdacht van medeplichtigheid door aansporing tot moord, medeplichtigheid door steun achteraf aan moord en samenzwering om moord te plegen. De rechtbank verklaarde de uitlevering toelaatbaar voor de eerste en derde feiten, maar ontoelaatbaar voor het feit van medeplichtigheid door steun achteraf (accessory after the fact of murder), omdat dit feit in Nederland wordt bestraft met een gevangenisstraf van maximaal zes maanden, wat niet voldoet aan de vereiste van een straf van meer dan één jaar.

Het openbaar ministerie stelde cassatie in tegen dit deel van de uitspraak. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte niet had meegewogen dat op grond van artikel 2 lid 5 van Pro het uitleveringsverdrag uitlevering ook kan worden toegestaan voor feiten die anders niet aan de strafdrempel voldoen, mits deze samenhangen met andere uitleverbare feiten. De Hoge Raad vernietigde daarom het oordeel van de rechtbank en verklaarde de uitlevering ook toelaatbaar voor het feit van medeplichtigheid door steun achteraf.

De Hoge Raad wees tevens op de suprematie van verdragsrecht boven nationale wetgeving (artikel 94 Grondwet Pro), waardoor de uitleveringswet buiten toepassing blijft voor zover deze niet verenigbaar is met het verdrag. De beroepen van de opgeëiste persoon werden voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad op 17 maart 2026.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart uitlevering toelaatbaar voor het feit accessory after the fact of murder en vernietigt het oordeel van de rechtbank over de ontoelaatbaarheid daarvan.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer25/04087 U
Datum17 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 30 oktober 2025, nummer UTL-I-2025013828, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering
van
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de opgeëiste persoon.

1.Procesverloop in cassatie

De beroepen zijn ingesteld door de opgeëiste persoon en het openbaar ministerie.
Namens de opgeëiste persoon heeft de advocaat J.W. Ebbink bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. Ook het openbaar ministerie heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de beslissing van de rechtbank dat de uitlevering ontoelaatbaar is voor zover betrekking hebbende op het door de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika bij de stukken overgelegde aanhoudingsbevel met nummer […] , tot toelaatbaarverklaring daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van de cassatiemiddelen die namens de opgeëiste persoon zijn voorgesteld

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3. Beoordeling van het cassatiemiddel dat namens het openbaar ministerie is voorgesteld

3.1
Het cassatiemiddel klaagt over de gedeeltelijke ontoelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering.
3.2
De uitspraak van de rechtbank houdt onder meer in:
“3.2 Toepasselijke wetten en verdragen
Op het uitleveringsverzoek is naast de UW, het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (hierna: het Verdrag) van toepassing.
(...)
3.5
Dubbele strafbaarheid
Ingevolge artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van het Verdrag en artikel 5, eerste lid, UW kan uitlevering alleen worden toegestaan indien het feit krachtens het recht van zowel de verzoekende staat als Nederland strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf van meer dan één jaar.
De opgeëiste persoon wordt in de Verenigde Staten van Amerika verdacht van ‘accessory before the fact of murder’, ‘accessory after the fact of murder’ en ‘conspiracy to commit murder’. Naar het recht van de Verenigde Staten van Amerika is op deze feiten een vrijheidsbenemende straf van meer dan een jaar gesteld.
De feiten ‘accessory before the fact of murder’ en ‘conspiracy to commit murder’ zijn naar Nederlands recht strafbaar gesteld onder artikel 47, 48 en 49 jo. artikel 289 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), te weten enige vorm van deelneming aan moord, welk feit wordt bedreigd met een vrijheidsbenemende straf van meer dan een jaar. Gelet hierop is ten aanzien van deze feiten voldaan aan de vereisten van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a van het Verdrag en artikel 5 van Pro de UW.
Het feit ‘accessory after the fact of murder’ is naar Nederlands recht strafbaar gesteld onder artikel 189 Sr Pro, te weten hulp aan een dader na een misdrijf, welk feit wordt bedreigd met een vrijheidsbenemende straf van ten hoogste zes maanden. Gelet hierop is ten aanzien van dit feit niet voldaan aan de vereisten van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a van het Verdrag en artikel 5 van Pro de UW. De uitlevering dient ten aanzien van dit feit ontoelaatbaar te worden verklaard.
(...)
5. Beslissing
De rechtbank:
verklaart toelaatbaar de uitlevering aan de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika van
[opgeëiste persoon] (...)
ter strafvervolging van de feiten zoals vermeld in de door de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika bij de stukken overgelegde aanhoudingsbevelen met nummers […] en […] .
verklaart de uitlevering ontoelaatbaar voor zover betrekking hebbende op het door de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika bij de stukken overgelegde aanhoudingsbevel met nummer […] .”
3.3
De volgende wettelijke en verdragsrechtelijke bepalingen zijn van belang.
- Artikel 5 lid Pro 1, aanhef en onder a, van de Uitleveringswet:
“Uitlevering kan alleen worden toegestaan ten behoeve van:
a. een door autoriteiten van de verzoekende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een feit waarvoor, zowel naar het recht van de verzoekende staat als naar dat van Nederland, een vrijheidsstraf van een jaar, of van langere duur, kan worden opgelegd.”
- Artikel 2 lid Pro 2, aanhef en onder a, en 5 van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (hierna: Verdrag):
“2. Uitlevering wordt toegestaan voor feiten die tot uitlevering kunnen leiden:
a. met het oog op vervolging, indien het feit krachtens het recht van beide Verdragsluitende Partijen strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf van meer dan een jaar;
5. Wanneer uitlevering is toegestaan voor een feit dat tot uitlevering kan leiden, kan zij tevens worden toegestaan voor andere feiten die anders, uitsluitend ten gevolge van de werking van het tweede lid, niet tot uitlevering zouden kunnen leiden.”
3.4.1
De rechtbank heeft overwogen dat het feit zoals vermeld in het aanhoudingsbevel met nummer […] (“accessory after the fact of murder”) naar Nederlands recht strafbaar is gesteld in artikel 189 van Pro het Wetboek van Strafrecht en wordt bedreigd met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden. Op grond hiervan heeft de rechtbank geoordeeld dat ten aanzien van dit feit niet is voldaan aan de eisen die worden gesteld door artikel 2 lid Pro 2, aanhef en onder a, Verdrag en artikel 5 lid Pro 1, aanhef en onder a, Uitleveringswet en heeft de rechtbank de uitlevering in zoverre ontoelaatbaar verklaard.
3.4.2
Omdat de rechtbank de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard voor de feiten die worden vermeld in de aanhoudingsbevelen met nummer […] (“accessory before the fact of murder”) en […] (“conspiracy to commit murder”), heeft de rechtbank met het onder 3.4.1 bedoelde oordeel miskend dat de uitlevering voor dit feit (“accessory after the fact of murder”) kan worden toegestaan op grond van artikel 2 lid 5 Verdrag Pro. Gelet op artikel 94 van Pro de Grondwet vinden binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften geen toepassing als deze niet verenigbaar zijn met een ieder verbindende bepalingen van verdragen. Dat betekent in dit geval dat artikel 5 Uitleveringswet Pro buiten toepassing blijft voor zover uitlevering kan worden toegestaan op grond van artikel 2 lid 5 Verdrag Pro (vgl. HR 18 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4292, rechtsoverweging 5.6).
3.4.3
Het cassatiemiddel slaagt. De Hoge Raad zal doen wat de rechtbank had moeten doen en de uitlevering ook toelaatbaar verklaren voor het feit zoals vermeld in het aanhoudingsbevel met nummer […] .

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar uitsluitend wat betreft de ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering voor zover deze betrekking heeft op het feit zoals dat is omschreven in het door de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika bij de stukken overgelegde aanhoudingsbevel met nummer […] ;
- verklaart de uitlevering ook toelaatbaar voor het feit zoals omschreven in het aanhoudingsbevel met nummer […] ;
- verwerpt de beroepen voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
17 maart 2026.