Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
24 maart 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de mishandeling met zwaar lichamelijk letsel centraal, waarbij de benadeelde partij een vordering had ingesteld voor immateriële schade. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had in zijn arrest van 22 maart 2024 geoordeeld dat psychische schade in aanmerking kon worden genomen bij de toewijzing van deze vordering.
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld maar oordeelde dat deze niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden. Daarbij was het niet nodig om inhoudelijk in te gaan op de vragen, omdat deze niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Het arrest van de Hoge Raad van 24 maart 2026 bevestigt daarmee het oordeel van het hof en verwerpt het cassatieberoep. De Hoge Raad motiveert zijn beslissing niet uitvoerig, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier, tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand, inclusief de toewijzing van immateriële schade wegens psychische schade.