Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
24 maart 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag inzake het uitleveringsverzoek van de Republiek Albanië voor een persoon van Albanese nationaliteit, verdacht van oplichting van meerdere personen.
De rechtbank had de uitlevering toelaatbaar verklaard, maar zonder een voldoende duidelijke vermelding van het feit waarvoor uitlevering werd toegestaan, in strijd met artikel 28 lid 3 van Pro de Uitleveringswet. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het vonnis vanwege dit formele gebrek, maar stelde voor de uitlevering alsnog toe te staan voor het feit zoals omschreven in het bij het verzoek overgelegde rapport van het Openbaar Ministerie te Durres.
De Hoge Raad oordeelde dat het middel gegrond was en herstelde het verzuim door de uitlevering toelaatbaar te verklaren voor het feit zoals omschreven in het rapport. Andere klachten van de verdediging werden verworpen zonder nadere motivering. De Hoge Raad bevestigde daarmee de uitlevering ondanks de aanvankelijke onduidelijkheid in de feitomschrijving.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de uitlevering toelaatbaar ondanks onvoldoende feitomschrijving en verwerpt het cassatieberoep voor het overige.