Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beoordeling van het cassatiemiddel
4.Beslissing
24 maart 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 maart 2024, waarin hij werd veroordeeld voor meermalen gepleegde mishandeling, wederspannigheid en huisvredebreuk.
De Hoge Raad beoordeelde eerst de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Hoewel er twijfel bestond of de verdachte tijdig op de hoogte was gesteld van de zittingsdatum, oordeelde de Hoge Raad dat het beroep ontvankelijk is omdat niet is gebleken dat de verdachte meer dan veertien dagen voor de cassatie-instelling op de hoogte was van de einduitspraak.
Vervolgens stelde de Hoge Raad vast dat de uitspraak van het hof niet de bewijsmiddelen bevat die de bewezenverklaring ondersteunen, noch een wettelijke aanvulling daarvan. Dit is in strijd met de vereisten van artikel 359 lid 3 en Pro 8 Sv, waardoor het arrest niet in stand kan blijven.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en wijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe berechting en beslissing op het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens ontbreken van bewijsmiddelen en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.