Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
24 maart 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 14 maart 2024, waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van de verkoop en aflevering van cocaïne en heroïne en deelname aan een criminele organisatie.
Het cassatieberoep werd ingesteld door de verdachte, die onder meer verzocht om het horen van een getuige. Dit verzoek werd afgewezen omdat het onaannemelijk was dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn kon worden gehoord, conform artikel 288 lid 1 sub a Sv Pro. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de verdachte niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden en dat het niet nodig was om de motivering nader toe te lichten.
Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gezien de beperkte mate van overschrijding werd geen ander rechtsgevolg verbonden aan deze termijnoverschrijding.
De Hoge Raad wees het beroep af en bevestigde daarmee het arrest van het gerechtshof. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van verdachte voor medeplegen van drugshandel en deelname aan een criminele organisatie.