ECLI:NL:HR:2026:49

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
24/03592
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 94 SvArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep tegen beslaglegging op 19,5 miljoen euro wegens verdenking witwassen

In deze zaak hebben drie buitenlandse handelsbanken en een centrale bank gezamenlijk een klaagschrift ingediend tegen beslaglegging op 19,5 miljoen euro op Schiphol, vanwege verdenking van witwassen. Het hof Den Haag heeft het klaagschrift ongegrond verklaard en het verweer dat de centrale bank immuniteit geniet op grond van internationaal gewoonterecht verworpen.

De centrale vraag in cassatie betrof onder meer of het hof terecht heeft geoordeeld dat de centrale bank geen immuniteit geniet, omdat niet is vastgesteld dat het inbeslaggenomen geld eigendom is van de centrale bank en bestemd is voor monetaire taken. Daarnaast is beoordeeld of het hof het juiste criterium heeft gehanteerd bij het summiere onderzoek in de raadkamer en of het hof heeft verzuimd te beslissen op het standpunt dat het beslag onrechtmatig is gelegd en/of gehandhaafd.

De Hoge Raad oordeelt dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het hofvonnis en dat het niet nodig is om de motivering te geven, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het beroep wordt derhalve verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beslag op 19,5 miljoen euro blijft gehandhaafd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/03592 B
Datum10 februari 2026
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van het gerechtshof Den Haag van 6 augustus 2024, nummers AV 000877-23, AV 000884-23, AV 000882-23 en AV 000880-23, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[bank 1] ,
[bank 2] N.V.,
[bank 3] N.V.,
[bank 4] N.V.,
alle gevestigd in [plaats] (Suriname),
hierna: de klaagsters.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagsters. Namens deze hebben de advocaten A.J.F. Gonesh, A. Verbruggen, R. de Bree en F.H.H. Sijbers bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadslieden Gonesh, Verbruggen en De Bree hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheer T. Kooijmans als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
10 februari 2026.