Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
31 maart 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 20 september 2023, waarin de verdachte werd veroordeeld voor deelneming aan een criminele organisatie die zich bezighoudt met phishingfraude.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het hofarrest uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, met vermindering daarvan, en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de verdachte niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en hoefde dit niet nader te motiveren.
De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, omdat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot een ambtshalve vermindering van de gevangenisstraf van twintig maanden naar negentien maanden.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de strafmaat, verminderde de straf en verwierp het beroep voor het overige. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 31 maart 2026.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van twintig naar negentien maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.