Art. 326 SvArt. 327 SvArt. 365 SvArt. 426 lid 1 SvArt. 310 Sr
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging en terugwijzing wegens ontbreken proces-verbaal hoger beroep
De Hoge Raad heeft op 31 maart 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 8 november 2023. De zaak betreft een diefstalzaak waarbij het hof in hoger beroep uitspraak deed. De verdachte had cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof.
De kern van het cassatiemiddel was dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niet was vastgesteld en ondertekend door de rechter en griffier, zoals vereist op grond van artikel 327 SvPro. Uit een schriftelijke verklaring van de senior-secretaris van het hof bleek dat het proces-verbaal niet was uitgewerkt omdat de voorzitter en griffier die bij de zitting betrokken waren niet langer bij het hof werkzaam zijn.
De Hoge Raad oordeelde dat het ontbreken van een vastgesteld en ondertekend proces-verbaal een ernstig procesverzuim is dat leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en de daarop gebaseerde uitspraak. Het feit dat de betrokken rechter en griffier niet meer werkzaam zijn bij het hof vormt geen bijzondere omstandigheid die dit gevolg kan uitsluiten. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en wees de zaak terug naar het hof Den Haag voor hernieuwde berechting en afdoening.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens ontbreken van een vastgesteld en ondertekend proces-verbaal.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/04525
Datum31 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 8 november 2023, nummer 22-001482-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.
1.Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat B. Kizilocak bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 november 2023 in strijd met artikel 327 vanPro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) niet is vastgesteld en ondertekend.
2.2
Bij de stukken bevinden zich: (i) een aantekening van het mondeling arrest als bedoeld in artikel 426 lid 1 SvPro van 8 november 2023, en (ii) een schriftelijke verklaring van [betrokkene 1], senior-secretaris van het hof Den Haag. Deze verklaring houdt onder meer in:
“Nu de voorzitter en de griffier niet langer werkzaam zijn bij dit hof, is het aantekening mondeling arrest, alsmede het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 november 2023 niet uitgewerkt.”
“De griffier houdt het proces-verbaal der terechtzitting, waarin achtereenvolgens aanteekening geschiedt van de in acht genomen vormen en van al hetgeen met betrekking tot de zaak op de terechtzitting voorvalt.”
“Het proces-verbaal wordt door den voorzitter of door een der rechters, die over de zaak heeft geoordeeld, en den griffier vastgesteld en zoo spoedig mogelijk na de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting en in elk geval binnen den in het eerste lid van artikel 365 vermeldenPro termijn onderteekend. Voor zoover de griffier tot een en ander buiten staat is, geschiedt dit zonder zijne medewerking en wordt van zijne verhindering aan het slot van het proces-verbaal melding gemaakt.”
2.4
De onder 2.2 weergegeven verklaring houdt in dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 november 2023 niet is uitgewerkt. Daardoor ontbreekt een proces-verbaal dat door de rechter die over de zaak heeft geoordeeld en door de griffier is vastgesteld en ondertekend overeenkomstig artikel 327 SvPro. Dat de betrokken raadsheer en de griffier niet meer werkzaam zijn bij het hof, vormt niet een zodanig bijzondere omstandigheid dat het aan zo’n verzuim te verbinden gevolg van nietigheid van het onderzoek op de terechtzitting en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak achterwege kan blijven (vgl. HR 13 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1605).
2.5
Het cassatiemiddel slaagt.
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.
4.Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 maart 2026.