Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
4.Beslissing
31 maart 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een persoon met de Nederlandse en Turkse nationaliteit tegen een uitleveringsuitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De Turkse autoriteiten hadden een uitleveringsverzoek ingediend voor strafvervolging wegens handel in harddrugs en deelname aan een criminele organisatie.
De verdediging voerde aan dat het uitleveringsverzoek onontvankelijk was omdat het aanhoudingsbevel was gedateerd na het uitleveringsverzoek, en dat essentiële stukken ontbraken, waardoor niet duidelijk was voor welke zaak uitlevering werd gevraagd. De rechtbank verwierp dit verweer en oordeelde dat de stukken genoegzaam waren en dat het aanhoudingsbevel niet noodzakelijkerwijs vóór het verzoek gedateerd hoefde te zijn.
De Hoge Raad bevestigde deze uitleg en verwierp het cassatieberoep. De Hoge Raad stelde dat noch de Uitleveringswet, noch het Europees Verdrag betreffende uitlevering vereisen dat het aanhoudingsbevel voorafgaat aan het uitleveringsverzoek. Ook de overige klachten van de verdediging werden verworpen zonder nadere motivering.
Hiermee blijft de uitlevering naar Turkije in stand, ondanks de aangevoerde procedurele bezwaren over de datum van het aanhoudingsbevel en de volledigheid van het dossier.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de uitlevering ondanks het latere aanhoudingsbevel.