ECLI:NL:HR:2026:515

Hoge Raad

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
23/04821
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 266 SrArt. 267 SrArt. 55b SvArt. 81 ROArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep wegens belediging politieagent tijdens rechtmatige bediening

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor belediging van een politieagent tijdens diens rechtmatige uitoefening van bediening. Het hof oordeelde dat de opsporingsambtenaar bevoegd was tot identiteitsfouillering ex art. 55b Sv, waardoor sprake was van rechtmatige bediening.

De verdachte stelde een bewijsklacht in over de rechtmatigheid van de uitoefening van de bediening. De Hoge Raad heeft deze klacht beoordeeld maar vond geen aanleiding tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad motiveert dit niet uitvoerig omdat de kwestie niet van belang is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform art. 81 lid 1 RO Pro.

Daarnaast constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep is overschreden, aangezien meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het beroep. Gezien de opgelegde gevangenisstraf van twee weken acht de Hoge Raad dit overschrijden niet aanleiding voor een ander rechtsgevolg.

De Hoge Raad besluit het cassatieberoep te verwerpen en bevestigt daarmee het arrest van het gerechtshof.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor belediging van een politieagent tijdens rechtmatige bediening blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/04821
Datum31 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 december 2023, nummer 21-004314-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat L.C. de Lange bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van twee weken volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
31 maart 2026.