Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
31 maart 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor belediging van een politieagent tijdens diens rechtmatige uitoefening van bediening. Het hof oordeelde dat de opsporingsambtenaar bevoegd was tot identiteitsfouillering ex art. 55b Sv, waardoor sprake was van rechtmatige bediening.
De verdachte stelde een bewijsklacht in over de rechtmatigheid van de uitoefening van de bediening. De Hoge Raad heeft deze klacht beoordeeld maar vond geen aanleiding tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad motiveert dit niet uitvoerig omdat de kwestie niet van belang is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform art. 81 lid 1 RO Pro.
Daarnaast constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep is overschreden, aangezien meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het beroep. Gezien de opgelegde gevangenisstraf van twee weken acht de Hoge Raad dit overschrijden niet aanleiding voor een ander rechtsgevolg.
De Hoge Raad besluit het cassatieberoep te verwerpen en bevestigt daarmee het arrest van het gerechtshof.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor belediging van een politieagent tijdens rechtmatige bediening blijft in stand.