Het hofheeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en voor recht verklaard dat [verweerder] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht met [eiser] door het niet tijdig aanbrengen van de dagvaarding in hoger beroep in de verzekeringsprocedure, en dat [verweerder] de daaruit voortvloeiende schade aan [eiser] dient te vergoeden. Het hof heeft [verweerder] veroordeeld tot betaling van € 7.586,78 in hoofdsom en de zaak voor de overige schade naar de schadestaatprocedure verwezen. Het hof heeft daartoe, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen.
Niet ter discussie staat dat [verweerder] een beroepsfout heeft gemaakt door de dagvaarding in hoger beroep in de verzekeringsprocedure niet tijdig in te schrijven bij het hof. Dit betekent dat de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht dat [verweerder] is tekortgeschoten in beginsel toewijsbaar is. (rov. 3.2)
Nu het hier gaat om het verzuim van [verweerder] om tijdig een rechtsmiddel aan te wenden, is daarmee het condicio-sine-qua-non-verband gegeven. Voor het antwoord op de vraag of [eiser] schade heeft geleden of zal lijden als gevolg van de beroepsfout van [verweerder] , moet worden beoordeeld hoe het hof in de verzekeringsprocedure had beslist als het hoger beroep wel tijdig was aangebracht. Als dat niet goed mogelijk is, moet een inschatting worden gemaakt van de goede en kwade kansen die [eiser] zou hebben gehad op het slagen van het hoger beroep. Voor het beoordelen van deze kans moet een inschatting worden gemaakt van wat waarschijnlijk zonder de normschending zou zijn gebeurd. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat bij die inschatting maar een beperkte mate van zekerheid kan worden bereikt, omdat het gaat om het inschatten van een hypothetische situatie. Volgens de hoofdregel van art. 150 Rv rusten daarbij de stelplicht en de bewijslast in beginsel op [eiser] , met dien verstande dat [eiser] geen bewijsrisico hoeft te dragen voor stellingen waarvoor in de verzekeringsprocedure de bewijslast op de verzekeraars had gelegen en dat aan eventuele bewijslevering in de onderhavige procedure andere eisen moeten worden gesteld dan de eisen die daarvoor zouden hebben gegolden in de verzekeringsprocedure. (rov. 3.6)
De verzekeraars hebben in de verzekeringsprocedure een primaire en een subsidiaire grondslag voor hun vorderingen aangevoerd. Primair hebben de verzekeraars gesteld dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld omdat hij de aanrijding in scène heeft gezet. (rov. 3.8)
Alles afwegend bij de inschatting van de hypothetische situatie bestaat een kans dat het hof in het hoger beroep in de verzekeringsprocedure tot bewijslevering zou zijn overgegaan en vervolgens na bewijslevering tot een ander oordeel zou zijn gekomen over de primaire grondslag waarop de verzekeraars hun vorderingen hebben gebaseerd. Daarbij wordt meegewogen dat voor zover [eiser] onjuist of frauduleus heeft verklaard over de omvang van de schade, dit niet (althans niet zonder meer) betekent dat het ongeval niet heeft plaatsgevonden. Op basis van de feiten en omstandigheden wordt de kans dat de vorderingen van de verzekeraars op basis van de primaire grondslag in hoger beroep alsnog zouden zijn afgewezen, geschat op 25%. (rov. 3.11)
Dat betekent dat ook onderzocht moet worden wat de kans van slagen zou zijn geweest van de subsidiaire grondslag waarop de verzekeraars hun vorderingen in de verzekeringsprocedure hebben gebaseerd. (rov. 3.12)
De verzekeraars hebben subsidiair betoogd dat [eiser] zijn mededelingsplicht heeft geschonden met het opzet om de verzekeraars te misleiden. Bij de beoordeling van deze grondslag moet onderscheid worden gemaakt tussen de verhouding De Goudse- [eiser] en de verhouding Delta Lloyd- [eiser] . In de verhouding De Goudse- [eiser] gaat het om een uitkering onder de WAM-verzekering, waarop art. 7:941 lid 5 BW niet (analoog) van toepassing is. In de relatie tot De Goudse kan [eiser] immers niet worden aangemerkt als de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde als bedoeld in art. 7:941 BW. Dat betekent dat de subsidiaire grondslag voor wat betreft De Goudse in zoverre niet zou hebben kunnen opgaan. [verweerder] heeft onvoldoende toegelicht dat in dat scenario de vordering van De Goudse op basis van de subsidiaire grondslag toch toewijsbaar zou zijn geweest. Delta Lloyd kon daarentegen wel een beroep doen op art. 7:941 lid 5 BW. (rov. 3.13)
Er zijn sterke aanwijzingen dat in het hoger beroep in de verzekeringsprocedure zou zijn geoordeeld dat [eiser] zijn mededelingsplicht zou hebben geschonden met de bedoeling om Delta Lloyd te misleiden. Ook hierbij gaat het echter om de inschatting van de hypothetische situatie zonder de normschending, en de onzekerheden die daaraan verbonden zijn. In de gegeven omstandigheden wordt de kans dat de vordering van Delta Lloyd op basis van de subsidiaire grondslag niet zou opgaan geschat op 15%. (rov. 3.14)