ECLI:NL:HR:2026:553

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
25/00560
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 7:290 BWArt. 7:230a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt dat onbemand tankstation geen gebouwde onroerende zaak is in huurrecht

In deze zaak heeft EG Retail (huurster) cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 november 2024, waarin werd geoordeeld over de kwalificatie van een onbemand tankstation als gebouwde onroerende zaak in het kader van huurrecht. De Hoge Raad verwijst voor het geding in de feitelijke instanties naar eerdere vonnissen van de rechtbank Noord-Nederland en het arrest van het hof.

De Hoge Raad heeft de klachten van de huurster beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van het hof te toetsen, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt EG Retail in de kosten van het geding, begroot op €3.105,-- vermeerderd met wettelijke rente. De uitspraak werd gedaan door de vicepresident als voorzitter en vier raadsheren, en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer. De zaak hangt samen met een andere zaak tussen dezelfde partijen waarin gelijktijdig uitspraak is gedaan.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat het onbemande tankstation geen gebouwde onroerende zaak is in de zin van art. 7:290 BW.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer25/00560
Datum10 april 2026
ARREST
In de zaak van
EG RETAIL (NETHERLANDS) B.V.,
gevestigd te Breda,
EISERES tot cassatie,
hierna: huurster,
advocaten: P.A. Fruytier en J.P. Jas,
tegen
[verhuurster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: verhuurster,
advocaten: J.H.M. van Swaaij en R.J. ter Rele.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak 10240922 \ CV EXPL 22-6888 van de rechtbank Noord-Nederland van 28 februari 2023 en 5 september 2023;
b. het arrest in de zaak 200.336.315/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 november 2024.
Huurster heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Verhuurster heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaten van huurster hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie) [1] .

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt EG Retail (Netherlands) B.V. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verhuurster] B.V. begroot op € 905,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien EG Retail (Netherlands) B.V. deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren S.J. Schaafsma, F.R. Salomons, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
10 april 2026.

Voetnoten

1.Deze zaak hangt samen met de zaak 25/00557 tussen dezelfde partijen, waarin vandaag eveneens uitspraak is gedaan: ECLI:NL:HR:2026:552.