Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
10 april 2026.
Hoge Raad
In deze zaak heeft eiser cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 11 februari 2025, waarin een geschil over verzekeringsrecht en het persoonlijk onderzoek door de verzekeraar centraal stond. De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen van de rechtbank Oost-Brabant en het arrest van het hof voor het geding in feitelijke instanties.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep, waarop de advocaten van eiser schriftelijk hebben gereageerd. De Hoge Raad heeft de klachten van eiser beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof.
De Hoge Raad motiveert zijn oordeel niet nader omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad verwerpt het beroep en veroordeelt eiser in de kosten van het cassatiegeding, begroot op een totaal van € 10.708,--, vermeerderd met wettelijke rente bij niet tijdige betaling.
Het arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en raadsheren C.E. du Perron, A.E.B. ter Heide, F.R. Salomons en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer A.E.B. ter Heide.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof wordt bevestigd.