Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Beslissing
14 april 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de actieve ambtelijke omkoping centraal waarbij verdachte een geldbedrag aan de echtgenote van een toenmalige minister gaf om erfpachtrechten op percelen te verkrijgen. De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken, maar het hof sprak hem in hoger beroep wel schuldig uit op basis van verklaringen van een getuige, p-v’s en andere bewijsmiddelen.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van verdachte verworpen. De klachten richtten zich onder meer op het bewijsminimum, de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen en de vraag of het hof terecht het oogmerk tot omkoping aannam. De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende steun vond voor de getuigenverklaringen in ander bewijsmateriaal en dat de gebruikte p-v’s geen ontoelaatbare gissingen bevatten.
Het hof mocht bovendien afleiden dat de overdracht van het geldbedrag op 21 januari 2016 had plaatsgevonden en dat de verklaringen van de getuige betrouwbaar waren. Het hof concludeerde dat het geldbedrag verband hield met de uitgifte van het erfpachtrecht en de verkoop van aandelen, waarmee het oogmerk tot omkoping wettig en overtuigend was bewezen.
De Hoge Raad vond geen aanleiding tot cassatie en bevestigde het vonnis van het hof. Hiermee blijft de veroordeling van verdachte voor actieve ambtelijke omkoping in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor actieve ambtelijke omkoping.