Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:620

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
24/03816
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beschikking teruggave motorboot aan niet-klaaghebbende rechthebbende

De zaak betreft een klaagschrift over de teruggave van een motorboot die onder beslag lag bij de klager, verdacht van diefstal. De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het klaagschrift gegrond en gelastte teruggave van de motorboot aan een verzekeringsmaatschappij, die zich als rechthebbende presenteerde.

De Hoge Raad oordeelt dat wanneer het openbaar ministerie van mening is dat het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag niet vereist, en de rechtbank een ander dan de beslagene als rechthebbende aanmerkt, het klaagschrift van de beslagene ongegrond moet worden verklaard. Teruggave aan die rechthebbende kan alleen plaatsvinden indien deze zelf een klaagschrift heeft ingediend.

In deze zaak is niet gebleken dat de verzekeraar een klaagschrift heeft ingediend. Daarom heeft de rechtbank ten onrechte de teruggave aan de verzekeraar gelast. De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling en beslissing door de rechtbank.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/03816 B
Datum14 april 2026
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 3 september 2024, nummer RK 24/017647, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de klager.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beslissing van de rechtbank voor zover het beklag gegrond is verklaard en de rechtbank de teruggave van de motorboot aan [A] heeft gelast, tot ongegrondverklaring van het beklag, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de onder de klager inbeslaggenomen motorboot moet worden teruggegeven aan een ander, te weten [A] .
2.2
De rechtbank heeft het klaagschrift dat strekt tot teruggave aan de klager van de onder hem inbeslaggenomen motorboot gegrond verklaard en heeft daarnaast de teruggave van die motorboot gelast aan [A] . De rechtbank heeft onder meer overwogen:
“Beklag
Het beklag strekt tot teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp: een motorboot van het merk Cobalt 242 Bo Rider, [registratieteken] .
Door klager is aangevoerd dat hij niets weet van dat de boot afkomstig zou zijn van diefstal. Hij heeft de boot overal gecontroleerd en ook laten controleren door een erkend bedrijf. Hij heeft de boot ook op zijn naam kunnen zetten en heeft € 35.000,00 betaald. Klager geeft aan meerdere stukken te kunnen overleggen waaruit blijkt dat hij de eigenaar van boot is. Namens klager wordt aangevoerd dat ten aanzien van klager sprake is van derdenbescherming, als de boot daadwerkelijk is gestolen. Klager heeft de boot te goeder trouw gekocht en heeft een reële prijs betaald. Klager moet daarom worden gezien als belanghebbende.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie verzet zich tegen teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan klager en heeft daartoe aangevoerd dat het belang van strafvordering zich daartegen verzet. Het dossier bevat stukken dat de boot gestolen is, tevens bevat het stukken waaruit blijkt dat de verzekeringsmaatschappij [A] nu de wettelijke eigenaar is in verband met het afwikkelen van de schade. Uit het dossier komt geen enkele stelling naar voren dat klager de boot te goeder trouw heeft gekocht. De officier van justitie verzoekt het inbeslaggenomen goed terug te geven aan de rechtmatige eigenaar, dus aan de verzekeringsmaatschappij.
Beoordeling
Gelet op het standpunt van de officier van justitie dat er geen strafvorderlijk belang is bij voortduring van het beslag, ligt – primair – teruggave aan de beslagene in de rede. Gelet op de door [A] in het geding gebrachte stukken, moet echter een ander dan beslagene als rechthebbende worden aangemerkt.
De rechtbank is van oordeel dat klager in dit verband onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt de rechtmatige eigenaar te zijn van de boot en dat hij te goeder trouw de boot heeft gekocht. De rechtbank oordeelt dan ook dat geen sprake is van derdenbescherming. De boot moet worden teruggegeven aan de rechtmatige eigenaar.
Het beklag wordt dan ook gegrond verklaard, in die zin dat het beslag wordt opgeheven, de boot niet toekomt aan klager, maar teruggaat naar de verzekeringsmaatschappij.”
2.3
Als in een geval als dit waarin het openbaar ministerie van oordeel is dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag niet vordert, de rechtbank bevindt dat een ander dan de beslagene redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd, moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard. Alleen als die rechthebbende zelf een klaagschrift heeft ingediend, kan de teruggave aan hem/haar worden gelast. (Vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rechtsoverweging 2.8.)
2.4
De stukken houden niet in dat een ander dan de beslagene een klaagschrift heeft ingediend. Daarom heeft de rechtbank ten onrechte de teruggave van de inbeslaggenomen motorboot gelast aan [A] .
2.5
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Noord-Nederland, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 april 2026.