Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:625

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
24/02516
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 2.B OpiumwetArt. 2.C OpiumwetArt. 11b.1 OpiumwetArt. 359.6 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in zaak medeplegen en deelname criminele organisatie cocaïnehandel

De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 2 juli 2024, waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk vervoeren en aanwezig hebben van 51 kilo cocaïne in een bedrijfsauto met verborgen ruimte, alsmede deelname aan een criminele organisatie die zich bezighoudt met grootschalige internationale cocaïnehandel en gewoontewitwassen.

In cassatie werden verschillende klachten ingebracht, waaronder de grondslagverlating door het hof bij de uitleg van het ten laste gelegde, de bewijsklachten omtrent het opzet bij het vervoeren van de cocaïne, en de concrete betrokkenheid van verdachte bij de criminele organisatie vóór 4 maart 2014. Ook werd geklaagd over de strafmotivering met betrekking tot de opgelegde gevangenisstraf van 38 maanden.

De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van het hof nader te toetsen, omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het cassatieberoep is derhalve verworpen.

De uitspraak werd gedaan door de vice-president van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Kooijmans en Damsteegt, op 19 mei 2026.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot 38 maanden gevangenisstraf blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/02516
Datum19 mei 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 2 juli 2024, nummer 23-004360-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten J. Kuijper en S.J. van der Woude bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
19 mei 2026.