Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
19 mei 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 2 juli 2024, waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk vervoeren en aanwezig hebben van 51 kilo cocaïne in een bedrijfsauto met verborgen ruimte, alsmede deelname aan een criminele organisatie die zich bezighoudt met grootschalige internationale cocaïnehandel en gewoontewitwassen.
In cassatie werden verschillende klachten ingebracht, waaronder de grondslagverlating door het hof bij de uitleg van het ten laste gelegde, de bewijsklachten omtrent het opzet bij het vervoeren van de cocaïne, en de concrete betrokkenheid van verdachte bij de criminele organisatie vóór 4 maart 2014. Ook werd geklaagd over de strafmotivering met betrekking tot de opgelegde gevangenisstraf van 38 maanden.
De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van het hof nader te toetsen, omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het cassatieberoep is derhalve verworpen.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Kooijmans en Damsteegt, op 19 mei 2026.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot 38 maanden gevangenisstraf blijft in stand.