Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:632

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
24/02523
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 6 lid 1 EVRMArt. 2.A Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij medeplegen cocaïne-invoer

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag inzake medeplegen van de invoer van 3.776 kilogram cocaïne. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf waarvan de duur onderwerp van geschil was.

In cassatie werden meerdere klachten ingediend, waaronder over het opzet en medeplegen, maar deze werden niet ontvankelijk verklaard of verworpen. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden doordat het hof de processtukken te laat had ingezonden.

De Hoge Raad achtte deze termijnoverschrijding gegrond en besloot daarom de opgelegde gevangenisstraf te verminderen met twee jaren, tot een duur van één jaar en elf maanden. Voor het overige werd het cassatieberoep verworpen, waarmee het hofarrest in stand bleef.

De uitspraak benadrukt het belang van een tijdige procesvoering en de toepassing van het redelijke termijn-beginsel in strafzaken, ook in complexe zaken zoals drugsinvoer. De Hoge Raad motiveert de beslissing over de termijnoverschrijding en strafvermindering uitvoerig, maar laat de overige klachten onbesproken wegens gebrek aan belang voor de rechtsontwikkeling.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot één jaar en elf maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/02523
Datum14 april 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 2 juli 2024, nummer 22-001220-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M. van Stratum bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het tweede en het derde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twee jaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze één jaar en elf maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 april 2026.