Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
20 januari 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van de rechtbank Limburg van 6 juni 2025, waarin werd beslist over het uitleveringsverzoek van de Republiek Turkije betreffende de opgeëiste persoon van Belgische nationaliteit.
De opgeëiste persoon voerde in cassatie aan dat het uitleveringsverzoek niet ontvankelijk was omdat het originele of authentieke afschrift van het aanhoudingsbevel ontbrak, wat volgens hem een schending van artikel 18 van Pro de Uitleveringswet en artikel 12 van Pro het EU-Verdrag opleverde. Tevens stelde hij dat er sprake was van een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM Pro zonder effectief rechtsmiddel, in strijd met artikel 13 EVRM Pro.
De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De Hoge Raad motiveert dit niet uitvoerig omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad heeft het beroep verworpen en daarmee de uitleveringsuitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep tegen de uitleveringsuitspraak wordt verworpen en de uitlevering aan Turkije bevestigd.