Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
20 januari 2026.
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om de uitlevering van een Colombiaanse opgeëiste persoon naar Panama in verband met een drugsdelict. De opgeëiste persoon heeft verweer gevoerd tegen zijn uitlevering, stellende dat de detentieomstandigheden in Panama zo zwaar zijn dat zijn fundamentele rechten worden geschonden. De rechtbank Noord-Holland heeft op 18 april 2025 uitspraak gedaan in deze zaak, waarbij de opgeëiste persoon in cassatie is gegaan. De advocaat J.W. Ebbink heeft namens de opgeëiste persoon cassatiemiddelen voorgesteld, terwijl de advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld en geconcludeerd dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak. De Hoge Raad heeft daarbij aangegeven dat het niet nodig is om te motiveren waarom tot dit oordeel is gekomen, aangezien de vragen die aan de orde zijn niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Uiteindelijk heeft de Hoge Raad op 20 januari 2026 het beroep verworpen.