Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
20 januari 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een opgeëiste persoon tegen een uitleveringsuitspraak van de rechtbank Noord-Holland, waarbij de Republiek Panama om uitlevering verzocht vanwege een drugsdelict. De opgeëiste persoon voerde aan dat de detentieomstandigheden in Panama zodanig zwaar zijn dat fundamentele mensenrechten zijn geschonden, en dat de rechtbank had moeten onderzoeken of toekomstige uitlevering een schending van artikel 6 EVRM Pro zou opleveren.
De Hoge Raad heeft de klachten van de opgeëiste persoon beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de uitspraak. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om zelfstandig onderzoek te verrichten naar een voltooide schending van fundamentele rechten of naar het risico op toekomstige schendingen van artikel 6 EVRM Pro bij uitlevering.
De advocaat-generaal had geconcludeerd tot verwerping van het beroep, en de Hoge Raad volgde dit advies. De Hoge Raad motiveerde zijn oordeel niet uitvoerig, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Het arrest werd gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, en uitgesproken op 20 januari 2026.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de uitlevering aan Panama.