Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:654

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
24/01048
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.C OpiumwetArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt opzet bij aanwezigheid van drugs onder bijrijdersstoel

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van MDMA, amfetamine, cocaïne en heroïne onder de bijrijdersstoel van zijn auto, in strijd met artikel 2.C van de Opiumwet.

De verdediging voerde aan dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de drugs, omdat niet kon worden uitgesloten dat een ander de drugs onopgemerkt had geplaatst. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof dit terecht had aangenomen gezien de plaats van de drugs en de omstandigheden van het geval.

Het cassatieberoep werd verworpen. De Hoge Raad constateerde tevens dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, maar verbond hieraan geen verdere rechtsgevolgen. De Hoge Raad vernietigde alleen het onderdeel van de taakstraf dat de hoogte betrof, maar verwierp het beroep verder.

De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren, en bevestigt de rechtspraak omtrent het bewijs van opzet bij het aanwezig hebben van drugs in een voertuig.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor het opzettelijk aanwezig hebben van drugs.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/01048
Datum14 april 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 maart 2024, nummer 21-001537-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat C. Crince Le Roy bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde taakstraf, en tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 april 2026.