Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:665

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
25/01282
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep in schadevergoedingszaak over ontwikkelingsovereenkomst monumentaal pand

In deze zaak stond een geschil centraal over de schadevergoeding na ontbinding van een ontwikkelingsovereenkomst met betrekking tot een monumentaal pand. Eiser had beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag, dat de ontbinding en de vermogensvergelijking tussen de situatie met en zonder ontbinding had beoordeeld.

De Hoge Raad heeft de klachten van eiser over het arrest van het hof beoordeeld, maar geoordeeld dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad heeft geen nadere motivering gegeven, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep verworpen en eiser veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. De zaak betreft een civielrechtelijke procedure over schadevergoeding en de toepassing van vermogensvergelijking bij ontbinding van een overeenkomst.

De uitspraak bevestigt daarmee het oordeel van het hof en sluit het geschil af in cassatie, waarbij de Hoge Raad zich beperkt heeft tot een summiere toetsing zonder inhoudelijke motivering van de klachten.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer25/01282
Datum17 april 2026
ARREST
In de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser],
advocaat: J. den Hoed,
tegen
1. ROTTERDAMSE GROND B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
2. DE VIJVERBORGH BEHEER B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
VERWEERSTERS in cassatie,
hierna: RG c.s.,
advocaat: D. Rijpma.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/10/633279 /HA ZA 22-134 van de rechtbank Rotterdam van 21 december 2022;
b. het arrest in de zaak 200.325.186/01 van het gerechtshof Den Haag van 7 januari 2025.
[eiser] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
RG c.s. hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van RG c.s. begroot op € 8.508,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.E.B. ter Heide, als voorzitter, F.R. Salomons en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
17 april 2026.