Art. 5 lid 5 AuteursrechtrichtlijnArt. 1019h RvArt. 81 lid 1 ROArt. 14 HandhavingsrichtlijnRichtlijn 2001/29/EG
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt omvang auteursrechtsoverdracht en proceskostenveroordeling in softwarelicentiegeschil
In deze zaak stond de omvang van de overdracht van het auteursrecht op software centraal, evenals de bevoegdheid van de verkoper, die tevens licentienemer was, om exploitatiehandelingen te verrichten. De procedure begon bij de rechtbank Amsterdam, waarna het gerechtshof Amsterdam op 19 november 2024 een arrest wees. Payingit c.s. stelde hiertegen cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad verwees naar eerdere vonnissen en het arrest van het gerechtshof en behandelde de klachten van Payingit c.s., waaronder een vermeende schending van het Unierecht, in het bijzonder artikel 5 lid 5 vanPro de Auteursrechtrichtlijn. Deze klacht werd verworpen op basis van de conclusie van de Advocaat-Generaal. De overige klachten werden eveneens niet gegrond bevonden, waarbij de Hoge Raad geen nadere motivering gaf omdat beantwoording niet noodzakelijk was voor de rechtsontwikkeling.
Daarnaast veroordeelde de Hoge Raad Payingit c.s. in de proceskosten van het cassatiegeding. Workrate had kosten begroot op ruim €85.000, maar de Hoge Raad paste de Indicatietarieven voor intellectuele eigendom toe en stelde het redelijke en evenredige maximumtarief voor een complexe zaak vast op €54.000 voor salaris plus €905 aan verschotten. Deze kostenveroordeling werd bevestigd, inclusief wettelijke rente bij niet-tijdige betaling.
Het arrest werd gewezen door de vicepresident en raadsheren van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken door raadsheer ter Heide op 17 april 2026. De zaak betreft belangrijke aspecten van het auteursrecht en de handhaving daarvan binnen de Europese Unie, met verwijzing naar relevante richtlijnen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van Payingit c.s. wordt verworpen en zij worden veroordeeld in de proceskosten van het cassatiegeding.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer25/00603
Datum17 april 2026
ARREST
In de zaak van
1. PAYINGIT B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
2. PAYINGIP B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
3. NRD HOLDING B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
4. CMC HOLDING B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
5. [eiser 5],
wonende te [woonplaats],
6. [eiser 6],
wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
hierna: Payingit c.s.,
advocaat: M.E. Bruning,
tegen
WORKRATE HOLDING B.V.,
gevestigd te Dordrecht,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: Workrate,
advocaat: V. Rörsch.
1.Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/13/721870 / HA ZA 22-665 van de rechtbank Amsterdam van 30 december 2020 en 25 januari 2023;
b. het arrest in de zaak 200.332.638/01 van het gerechtshof Amsterdam van 19 november 2024.
Payingit c.s. hebben tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld. Workrate heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen mondeling en schriftelijk toegelicht door hun advocaten, voor Payingit c.s. mede door Chr.A. Alberdingk Thijm, D.N.D. Guerrero Obando en L. Oostinga. De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2.Beoordeling van het middel
2.1
Onderdeel 1.5 van het middel klaagt over schending van het Unierecht, in het bijzonder art. 5 lid 5 AuteursrechtrichtlijnPro [1] . Deze klacht kan niet tot cassatie leiden op de gronden, uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.32 en 3.34.
2.2
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 ROPro).
2.3
Als de in cassatie in het ongelijk gestelde partijen dienen Payingit c.s. te worden veroordeeld in de proceskosten. Workrate heeft een kostenveroordeling op de voet van art. 1019h Rv gevorderd en haar kosten in cassatie tot en met de schriftelijke dupliek begroot op € 905,-- aan verschotten en € 84.742,42 voor salaris. Nadien heeft Workrate nog een schriftelijke reactie op de conclusie van de Advocaat-Generaal (Borgersbrief) ingediend.
Nu deze zaak in cassatie betrekking heeft op de handhaving van auteursrechten waarop art. 14 HandhavingsrichtlijnPro [2] ziet, zijn daarop art. 1019h Rv en de Indicatietarieven in IE-zaken Hoge Raad, versie 1 februari 2026, (hierna: Indicatietarieven) van toepassing.
Voor de toepassing van de Indicatietarieven merkt de Hoge Raad deze zaak in zijn geheel aan als complex.
Volgens de Indicatietarieven bedraagt voor verweerder het maximumtarief in een complexe zaak, inclusief dupliek en een Borgersbrief, € 54.000,--. De Hoge Raad acht dit bedrag in dit geval redelijk en evenredig in de zin van art. 14 HandhavingsrichtlijnPro en art. 1019h Rv en ziet geen grond voor de door Workrate bepleite vermeerdering van dit bedrag.
3.Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt Payingit c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Workrate begroot op € 905,-- aan verschotten en € 54.000,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Payingit c.s. deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 17 april 2026.
Voetnoten
1.Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, PbEG 2001, L 167/10.
2.Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, PbEU 2004, L 157/45.