ECLI:NL:HR:2026:67

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
18 januari 2026
Zaaknummer
24/03291
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over verontschuldigbare termijnoverschrijding bij hoger beroep door alcoholproblematiek

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch. De verdachte was veroordeeld tot een gevangenisstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid, maar had hoger beroep ingesteld na de wettelijke termijn van veertien dagen. Het hof had de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep, omdat de termijnoverschrijding niet verontschuldigbaar was. De verdediging voerde aan dat de verdachte leed aan een ernstige alcoholverslaving, wat zijn geestelijk en lichamelijk functioneren ernstig had beperkt. De Hoge Raad herhaalde relevante overwegingen uit eerdere jurisprudentie over bijzondere omstandigheden die een termijnoverschrijding verontschuldigbaar kunnen maken. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de alcoholproblematiek van de verdachte niet als verontschuldigbare reden werd erkend. De uitspraak van het hof werd vernietigd en de zaak werd terugverwezen naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch voor herbehandeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/03291
Datum20 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 16 augustus 2024, nummer 20-003336-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat T. Straten bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de overschrijding van de termijn voor het instellen van het hoger beroep niet verontschuldigbaar is.
2.2.1
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in:
“De voorzitter deelt mede dat op grond van de stukken uit het dossier is gebleken dat de uitspraak mondeling vonnis op 24 juni 2023 aan de verdachte in persoon is uitgereikt en dat hij eerst op 8 december 2023 hoger beroep heeft ingesteld, waardoor het hoger beroep niet binnen de wettelijke termijn van 14 dagen na bekendwording met de uitspraak is ingesteld.
De raadsman deelt mede:
Mr. [betrokkene 2] heeft in haar appelschriftuur d.d. 19 december 2023 reeds het grootste gedeelte van de reden van deze termijnoverschrijding toegelicht. Waar het op neerkomt is dat het lange tijd niet goed is gegaan met mijn cliënt. Dit is voor hem een warrige periode geweest en daarna kwam het moment dat er puin moest worden geruimd. Zijn toenmalige begeleidster heeft vervolgens gezien dat het vonnis waarvan beroep, was gewezen en heeft vervolgens hierover gebeld. Mijn cliënt stelt dat hij dusdanig warrig was dat hij niet goed door had wat er allemaal gebeurde. Hij was in die periode absoluut niet op de hoogte van zijn administratie. Op 28 november 2023 is er dus gebeld en toen kwam mijn cliënt erachter dat hij een groot probleem had. De door de politierechter opgelegde gevangenisstraf heeft namelijk grote gevolgen voor de behandeling die hij thans ondergaat. Het standpunt van de verdediging is derhalve dat de verdachte niet eerder dan 28 november 2023 echt inhoudelijk in kennis is gesteld van de beslissing van de politierechter, zodat hij tijdig hoger beroep heeft ingesteld en derhalve ontvankelijk is in zijn hoger beroep.
De voorzitter deelt mede dat zij in het dossier heeft gelezen dat het langere tijd slecht met de verdachte is gegaan, maar dat hij nu begeleiding heeft en dat het beter lijkt te gaan met hem. Ook deelt zij mede dat zij ziet dat er iemand met hem mee is gekomen naar de zitting en heeft plaatsgenomen in de zittingszaal.
De advocaat-generaal deelt hierop mede:
Er is sprake van een duidelijke overschrijding van de wettelijke termijn om hoger beroep tegen het betreffende vonnis in te stellen. De vraag waar het thans om gaat is of deze overschrijding verschoonbaar is. De verdediging voert aan dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar is, nu de verdachte in die tijd in een warrige periode verkeerde en zijn zaken niet op orde had. Dit is echter niet een bijzondere situatie waarover in de jurisprudentie wordt gesproken om een overschrijding van de termijn verschoonbaar te laten zijn. Nu de uitspraak aan de verdachte in persoon is uitgereikt, hij niet binnen 14 dagen hoger beroep heeft ingesteld en niet is gebleken van een bijzondere situatie die deze termijnoverschrijding verschoonbaar doet zijn, vorder ik dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep.
De raadsman deelt hierop nog mede dat in de appelschriftuur reeds is aangevoerd dat de verdachte ten tijde van de uitreiking van de uitspraak leed aan een psychische stoornis.
Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. Hij verklaart:
Het afgelopen jaar was een zware periode voor mij. Het was echt het diepste punt in mijn leven. Omdat het echt niet meer ging, heb ik hulp gezocht en alles aan de kant gezet om mijn leven weer op orde te krijgen. Sindsdien ben ik echt heel ver gekomen.”
2.2.2
De namens de verdachte ingediende appelschriftuur, waarvan de in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.2 weergegeven producties deel uitmaken, houdt onder meer in:
“3. Volledigheidshalve wenst appellant op te merken dat hij pas zeer recent bekend is geworden met onderhavige uitspraak van de politierechter, te weten 28 november 2023. Op die datum heeft de begeleidster van appellant van [zorginstelling 1] , [betrokkene 1] , hierover telefonisch contact gezocht met het Openbaar Ministerie. Naar aanleiding hiervan heeft appellant zijn raadsvrouw geraadpleegd die vervolgens op 8 december namens hem hoger beroep tegen het vonnis van 19 oktober 2021 heeft ingesteld.
Ontvankelijkheid
4. Artikel 408 lid 1 Sv bepaalt dat er in beginsel binnen veertien dagen na de einduitspraak hoger beroep dient te worden ingesteld. In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak aan de verdachte bekend is (artikel 408 lid 2 Sv). Verdachte moet daarmee daadwerkelijk bekend zijn. Het is onvoldoende als verdachte er mee bekend kon zijn (zie HR 20 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7689, NJ 2010/247).
5. Appellant stelt zich primair op het standpunt dat hij ontvankelijk is in zijn hoger beroep omdat hij pas op 28 november 2023 bekend is geworden met onderhavig vonnis. Er is toen terstond actie ondernomen en namens appellant werd er binnen veertien dagen na het bekend worden met dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Psychische stoornis
6. De Hoge Raad oordeelde op 12 juni 2001 (ECLI:NL:HR:2001:AB2064, NJ 2001/696) dat onder omstandigheden een termijnoverschrijding die het gevolg is van een psychische stoornis niet aan de verdachte kan worden toegerekend. Hierbij dient de rechter te onderzoeken of en zo ja gedurende welke periode na het vonnis de verdachte aan een psychische stoornis leed en niet in staat was te beoordelen of een rechtsmiddel moest worden ingesteld. De termijnoverschrijding gedurende deze periode kan de verdachte niet worden toegerekend.
7. Appellant stelt zich subsidiair op het standpunt dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding over de hoger beroepstermijn ten gevolge van een psychische stoornis. Appellant kampt reeds circa vijftien jaren met een ernstige alcoholverslaving. Inmiddels is hij langere tijd clean. Hij schat dat zijn verslaving is begonnen toen hij ongeveer twintig jaar oud was. Om van zijn verslaving af te komen heeft hij in 2010 in Polen in een afkickkliniek gezeten. Aanvankelijk leek het toen beter met hem te gaan maar al snel kreeg hij weer een terugval. In 2018 werd er bij appellant trombose gediagnostiseerd. Dit werd niet goed behandeld waardoor er bij hem ernstige complicaties optraden. In dezelfde periode is zijn vriendin met hun twee kinderen bij hem weggegaan. Dit heeft appellant veel verdriet gedaan waardoor hij langzaam steeds verder afgleed. Teneinde dit verhaal te onderbouwen worden medische gegevens van appellant overgelegd uit het jaar 2020 (productie 2). Hieruit blijkt dat dat er sprake is van ernstig middelenmisbruik en dat appellant ook bij de huisarts geregeld zijn afspraken niet nakwam. Dat er sprake was van zeer ernstige problematiek blijkt ook uit het feit dat appellant op 19 juni 2020 bij de Spoedeisende Hulp is geweest ten gevolge van een alcoholintoxicatie (productie 3).
8. De afgelopen jaren zijn voor appellant niet helder. Door toedoen van zijn verslaving is hij op enig moment dakloos geraakt, is hij zijn baan verloren en heeft hij schulden gemaakt. Appellant begon vaak al om 04:30 uur in de ochtend met drinken om de lichamelijke afkickverschijnselen van zijn verslaving (trillen) tegen te gaan. Gedurende de dag dronk hij dan één hele fles wodka. In deze periode was het voor appellant vrijwel niet mogelijk om voor zichzelf te zorgen. Hij wilde het liefste thuis blijven en wilde niet naar buiten gaan. Appellant verbleef soms bij vrienden, soms op straat en soms bij [zorginstelling 2] . Zijn kamer opruimen, douchen of zijn afspraken nakomen, was gedurende deze periode voor hem vrijwel onmogelijk.
9. In de periode vanaf 26 juli 2023 tot en met 14 september 2023 heeft appellant in afkickkliniek [zorginstelling 3] verbleven na eerst een succesvolle detox in de kliniek [zorginstelling 4] te hebben afgerond. Er is toen de primaire diagnose ‘ernstige stoornis in alcoholgebruik’ gesteld (productie 4). Appellant heeft het afgelopen jaar een geslaagde afkickpoging ondernomen en sedertdien is hij clean. Sinds 18 september 2023 staat hij onder begeleiding van [zorginstelling 1] . Hier woont hij niet alleen maar wordt hij ook geholpen met zijn dagelijkse structuur, het verwerken van poststukken en wordt er gekeken naar de toekomst van appellant. Zo wordt er bijvoorbeeld gezocht naar een zinvolle dagbesteding. Appellant wenst zijn ervaringen in de toekomst te delen met lotgenoten om hun zo te helpen met hun verslaving. Een schrijven d.d. 14 december 2023 van psycholoog en psychomotorisch therapeut [betrokkene 1] wordt overgelegd als productie 5.
10. Uit voormeld schrijven komt naar voren dat appellant door toedoen van zijn problematiek langere tijd niet bewust is geweest van zijn verantwoordelijkheden. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij door toedoen zijn psychische problematiek zeer instabiel was. Het was voor hem niet mogelijk om voor zichzelf te zorgen, laat staan om zijn verantwoordelijkheden te nemen en afspraken na te komen. Dit wordt ook bevestigd door de medische gegevens die zijn ingebracht. Daarbij komt dat ernstige alcoholintoxicatie tot vertroebeling van de waarneming en herinnering leidt. Hij heeft bijvoorbeeld geen, althans geen heldere, actieve herinneringen meer aan de strafbare feiten waarvan hij verdacht wordt. Ook kan hij zich niet herinneren of hij op dat moment een advocaat gesproken heeft. Verder is hij er niet mee bekend dat er een zitting bij de rechter heeft plaatsgevonden. Zijn psychische gesteldheid was niet alleen in de periode waarin de strafbare feiten hebben plaatsgevonden maar ook in de periode tot en met zijn verblijf in [zorginstelling 3] zodanig, dat hem niet kan worden verweten dat hij mogelijk te laat zou zijn met het instellen van hoger beroep. Er is sprake van een bijzondere appellant niet toe te rekenen omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doet zijn. Appellant was door zijn psychische stoornis niet in staat om zich op de hoogte te (laten) stellen van het verdere verloop van zijn strafzaak en om te beoordelen of een rechtsmiddel moest worden ingesteld.”
2.2.3
Het hof heeft het hoger beroep van de verdachte niet-ontvankelijk verklaard. Het hof heeft hierover overwogen:
“Op 19 oktober 2021 heeft de politierechter bij verstek vonnis gewezen en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 jaren.
Blijkens een zich in het dossier bevindende akte van uitreiking van een mededeling uitspraak is dit verstekvonnis op 24 juni 2023 aan de verdachte in persoon betekend.
Op grond van het bepaalde in artikel 408, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering dient het hoger beroep te worden ingesteld binnen 14 dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is, in casu de uitreiking van het verstekvonnis op zaterdag 24 juni 2023 aan de verdachte in persoon. De verdachte had derhalve tot en met maandag 10 juli 2023 om hoger beroep tegen dit vonnis in te stellen. Namens de verdachte is eerst op 8 december 2023 hoger beroep ingesteld en derhalve na voornoemde wettelijk termijn.
Het hof is van oordeel dat de reden van voornoemde termijnoverschrijding invoelbaar is, doch dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat deze van dusdanige aard is dat het de termijnoverschrijding verschoonbaar doet zijn. Nu ook voor het overige niet is gebleken van omstandigheden die deze termijnoverschrijding verschoonbaar doen zijn, dient de verdachte in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.”
2.3
De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit moet gebeuren. Die termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep door de verdachte, zoals in dit geval, betekent in de regel dat dit hoger beroep niet-ontvankelijk is. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend dan niet worden verbonden, als sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden die de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. Daarvan kan sprake zijn in het geval dat, op het moment dat het rechtsmiddel had moeten worden ingesteld, sprake was van een zodanig ernstige beperking in het geestelijk en/of lichamelijk functioneren dat als gevolg daarvan het rechtsmiddel niet tijdig is ingesteld. (Vgl., in enigszins andere bewoordingen, HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587.)
2.4
Het hof heeft geoordeeld dat, anders dan de verdediging heeft betoogd, de overschrijding door de verdachte van de termijn voor het instellen van het hoger beroep niet verontschuldigbaar is. Het hof heeft daartoe uitsluitend overwogen dat “de reden van voornoemde termijnoverschrijding invoelbaar is, doch dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat deze van dusdanige aard is dat het de termijnoverschrijding verschoonbaar doet zijn”. Dit oordeel is, in het licht van wat namens de verdachte – mede onder verwijzing naar de appelschriftuur met de daarvan deel uitmakende producties – is aangevoerd over, kort gezegd, de door een alcoholverslaving veroorzaakte ernstige beperking in het geestelijk en lichamelijk functioneren van de verdachte op het moment dat dit rechtsmiddel had moeten worden ingesteld, niet zonder meer begrijpelijk.
2.5
Het cassatiemiddel slaagt.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
20 januari 2026.