Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
20 januari 2026.
Hoge Raad
De verdachte werd door de politierechter veroordeeld voor rijden onder invloed en rijden terwijl het rijbewijs was ingevorderd. Het hof verklaarde het hoger beroep van de verdachte niet-ontvankelijk omdat het te laat was ingesteld, binnen de wettelijke termijn van veertien dagen na bekendwording van het vonnis. De verdediging voerde aan dat de termijnoverschrijding verontschuldigbaar was vanwege een ernstige alcoholverslaving die leidde tot een ernstige beperking in het geestelijk en lichamelijk functioneren van de verdachte op het moment dat het hoger beroep had moeten worden ingesteld.
Het hof oordeelde echter dat de reden van de termijnoverschrijding wel invoelbaar was, maar dat niet voldoende aannemelijk was geworden dat deze reden zodanig was dat de overschrijding verschoonbaar was. De Hoge Raad stelt dat dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk is, gelet op de aangevoerde en onderbouwde problematiek van de verdachte, waaronder langdurige alcoholverslaving, psychische stoornissen, dakloosheid en ernstige beperkingen in functioneren.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is bepaald dat een termijnoverschrijding die het gevolg is van een psychische stoornis niet aan de verdachte kan worden toegerekend indien hij niet in staat was te beoordelen of een rechtsmiddel moest worden ingesteld. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting en beslissing.
De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige motivering door het hof bij het beoordelen van de verontschuldigbaarheid van termijnoverschrijdingen, zeker wanneer sprake is van ernstige psychische problematiek die het functioneren van de verdachte beïnvloedt.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug wegens onvoldoende motivering van de niet-verontschuldigbaarheid van de termijnoverschrijding door ernstige alcoholverslaving.