Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:670

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
24/00091
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 SrArt. 41 lid 1 SrArt. 81 lid 1 Wet ROArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling wegens bedreiging en behandelt noodweerverweer

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin hij werd veroordeeld voor bedreiging, zoals bedoeld in artikel 285 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafrecht.

Het hof had een verzoek tot het horen van een getuige à décharge afgewezen omdat het niet mogelijk was om de benodigde gegevens van de getuige te verkrijgen, waardoor het niet aannemelijk was dat binnen een aanvaardbare termijn alsnog een getuigenverhoor kon plaatsvinden. De Hoge Raad bevestigt deze afwijzing en oordeelt dat het hof terecht heeft gehandeld.

Daarnaast heeft de Hoge Raad overwogen of het hof het aangevoerde verweer als een beroep op noodweer had moeten opvatten. De Hoge Raad verwijst naar artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie en stelt dat het niet nodig is om op deze vraag in te gaan omdat de klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest.

De Hoge Raad constateert dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep is overschreden, maar ziet geen aanleiding om aan deze termijnoverschrijding een ander rechtsgevolg te verbinden gezien de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van tien dagen.

Uiteindelijk wordt het cassatieberoep verworpen en blijft het hofarrest in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van tien dagen blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/00091
Datum21 april 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 22 december 2023, nummer 20-002337-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten W.H. Jebbink en D.W.E. Sternfeld bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van tien dagen volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
21 april 2026.