Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:675

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
24/01875
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 138ab.1 SrArt. 272.1 SrArt. 2.C OpiumwetArt. 81.1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in zaak computervredebreuk en schending ambtsgeheim

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 30 april 2024. De verdachte werd verdacht van meervoudige computervredebreuk, schending van ambtsgeheim en het aanwezig hebben van cocaïne en fenacetine.

In eerste aanleg sprak de rechtbank verdachte vrij van computervredebreuk en het aanwezig hebben van cocaïne en fenacetine. Het hof oordeelde anders en veroordeelde verdachte. In cassatie richtte het beroep zich op vier klachten: of het hof terecht oordeelde dat verdachte de informatie uit politiesystemen had verkregen, of het hof terecht oordeelde dat verdachte de bevragingen had gedaan, het verweer dat verdachte mogelijk op verzoek van een collega handelde, en de klacht dat het Openbaar Ministerie nagelaten zou hebben fenacetine nader te laten onderzoeken.

De Hoge Raad oordeelde dat de eerste drie klachten niet tot vernietiging konden leiden en dat het hof deze terecht onbeantwoord liet omdat beantwoording niet nodig was voor de rechtsontwikkeling. De vierde klacht voldeed niet aan de vereisten van een cassatiemiddel en bleef onbesproken. Het beroep werd verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het arrest van het hof Den Haag.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/01875
Datum21 april 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 30 april 2024, nummer 22-001592-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat A. Jhingoer bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.T.C. van Kampen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad alleen cassatiemiddelen (klachten) als in de wet bedoeld. Als een zodanig cassatiemiddel kan alleen gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De in het vierde cassatiemiddel aangeduide klacht voldoet niet aan dit vereiste, zodat zij onbesproken moet blijven.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
21 april 2026.