Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel
3.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
4.Beslissing
21 april 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 30 april 2024. De verdachte werd verdacht van meervoudige computervredebreuk, schending van ambtsgeheim en het aanwezig hebben van cocaïne en fenacetine.
In eerste aanleg sprak de rechtbank verdachte vrij van computervredebreuk en het aanwezig hebben van cocaïne en fenacetine. Het hof oordeelde anders en veroordeelde verdachte. In cassatie richtte het beroep zich op vier klachten: of het hof terecht oordeelde dat verdachte de informatie uit politiesystemen had verkregen, of het hof terecht oordeelde dat verdachte de bevragingen had gedaan, het verweer dat verdachte mogelijk op verzoek van een collega handelde, en de klacht dat het Openbaar Ministerie nagelaten zou hebben fenacetine nader te laten onderzoeken.
De Hoge Raad oordeelde dat de eerste drie klachten niet tot vernietiging konden leiden en dat het hof deze terecht onbeantwoord liet omdat beantwoording niet nodig was voor de rechtsontwikkeling. De vierde klacht voldeed niet aan de vereisten van een cassatiemiddel en bleef onbesproken. Het beroep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het arrest van het hof Den Haag.