ECLI:NL:HR:2026:68

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
18 januari 2026
Zaaknummer
25/01488
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over geheimhouding rechtshulpverzoek in strafzaak tegen klagers

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Holland. De zaak betreft een beklag op basis van artikel 5.1.11 in samenhang met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door twee klagers, geboren in 1966 en 1947. De rechtbank had eerder geoordeeld dat de kennisneming van een rechtshulpverzoek van de Zwitserse autoriteiten aan de klagers mocht worden onthouden, omdat deze autoriteiten om geheimhouding hadden verzocht. De klagers stelden dat zij niet in staat waren om de rechtmatigheid van de inbeslagname van hun computers te toetsen, omdat zij geen toegang hadden tot het rechtshulpverzoek.

De Hoge Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en oordeelde dat de verplichting tot geheimhouding van het rechtshulpverzoek niet in de weg staat aan de verplichting van het Openbaar Ministerie om alle relevante stukken aan de raadkamer te overleggen. De rechtbank had op goede gronden geoordeeld dat het belang van het onderzoek ernstig zou worden geschaad als de klagers en hun raadsman kennis zouden nemen van het rechtshulpverzoek. De Hoge Raad verwierp het beroep van de klagers, waarbij werd opgemerkt dat de rechtbank voldoende gemotiveerd had geoordeeld over de geheimhouding en de gevolgen daarvan voor de klagers.

De uitspraak benadrukt de balans tussen de geheimhoudingsplicht in het kader van internationale rechtshulp en de rechten van de verdediging. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank niet onjuist had geoordeeld en dat de geheimhouding gerechtvaardigd was, gezien de omstandigheden van de zaak. De beslissing van de Hoge Raad is definitief en sluit de mogelijkheid van verdere rechtsmiddelen uit.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer25/01488 Br
Datum20 januari 2026
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 4 april 2025, nummers RK 24/025711 en RK 24/025713, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 5.1.11 in samenhang met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager 1] ,
geboren op [geboortedatum] 1966,
en
[klager 2] ,
geboren op [geboortedatum] 1947,
hierna: de klagers.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klagers. Namens deze hebben de advocaten J.T.E. Vis en T.P.A.M. Wouters bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van de rechtbank dat de kennisneming van het rechtshulpverzoek aan de klagers mocht worden onthouden.
2.2
De rechtbank heeft het klaagschrift, dat strekt tot teruggave van inbeslaggenomen computers, ongegrond verklaard. De beschikking van de rechtbank houdt onder meer in:
“Feiten
Naar aanleiding van een rechtshulpverzoek (hierna: RHV) van de Zwitserse autoriteiten, is in het kader van een in Zwitserland lopend strafrechtelijk onderzoek op 30 september 2024 in Nederland onder meer beslag gelegd op een computer van het merk Apple en een laptop van het merk Acer.
Procedure
(...)
Het Openbaar Ministerie heeft aangegeven dat de Zwitserse autoriteiten geheimhouding hebben verzocht en dat daarom het RHV met de onderliggende stukken niet aan de klagers is verstrekt.
(...)
Beklag
Het beklag strekt tot teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten: een computer van het merk Apple en een laptop van het merk Acer.
Namens de klagers is aangevoerd dat het RHV niet aan de verdediging is verstrekt, waardoor de verdediging niet kan vaststellen dat sprake is van rechtshulp die voldoet aan de geldende verdragsrechtelijke bepalingen en wet- en regelgeving. Hierdoor kan evenmin worden vastgesteld dat sprake is van inbeslagneming dan wel vergaring van stukken, voorwerpen en gegevens die voldoen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Op basis van artikel 23, lid 5, Sv dienen de beschikbare stukken aan de verdediging te worden overgelegd, waarop – gelet op artikel 23, lid 6, Sv – slechts een uitzondering kan worden gemaakt indien het belang van het onderzoek hierdoor ernstig wordt geschaad. De raadsman stelt zich dan ook primair op het standpunt dat het klaagschrift gegrond verklaard dient te worden en dat de inbeslaggenomen voorwerpen geretourneerd dienen te worden aan de klagers. (...)
Beoordeling
(...)
De rechtbank stelt vast dat de Zwitserse autoriteiten een RHV hebben uitgevaardigd in het kader van een lopend strafrechtelijk onderzoek. Gelet op het verzoek van de Zwitserse autoriteiten om geheimhouding van het RHV, heeft de officier van justitie het RHV op goede gronden niet aan de klagers en hun advocaat verstrekt. De rechtbank heeft wel kennis kunnen nemen van het RHV (...). Het RHV is door de officier van justitie erkend en tenuitvoergelegd. De doorzoeking en inbeslagneming naar aanleiding van dit RHV hebben plaatsgevonden overeenkomstig de daarvoor in Nederland geldende voorschriften. Daarbij merkt de rechtbank op – hoewel een dergelijke beoordeling in onderhavige procedure niet aan de rechtbank is voorbehouden – dat het RHV is uitgegaan van een rechterlijke autoriteit van Zwitserland, zie hiertoe artikel 24 van het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken en de op grond van dit verdragsartikel door Zwitserland afgegeven verklaring.
Dat de klagers niet over alle informatie beschikken om de rechtmatigheid te toetsen, is geen grond het beklag gegrond te verklaren. De rechtbank heeft die toets wel kunnen doen (zie hiervoor).”
2.3
De volgende wettelijke en verdragsrechtelijke bepalingen zijn van belang.
- Artikel 23 lid 5 en 6 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):
“5. Het openbaar ministerie legt aan de raadkamer de op de zaak betrekking hebbende stukken over. De verdachte en andere procesdeelnemers zijn, evenals hun raadsman of advocaat, bevoegd van de inhoud van deze stukken kennis te nemen.
6. Het tweede tot en met vijfde lid zijn niet van toepassing, voor zover het belang van het onderzoek hierdoor ernstig wordt geschaad.”
- Artikel 5.1.11 lid 1 Sv:
“De betrokkene bij wie in het kader van uitvoering van een verzoek om rechtshulp voorwerpen in beslag zijn genomen dan wel gegevens zijn gevorderd, of bij wie gegevens zijn vastgelegd tijdens een doorzoeking of onderzoek in een geautomatiseerd werk, aan wie een vordering medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van gegevens is gedaan, of die een vordering heeft ontvangen om gegevens te bewaren en beschikbaar te houden, alsmede de betrokkene bij wie ontoegankelijkmaking van gegevens, aangetroffen in een geautomatiseerd werk, als bedoeld in artikel 125o, heeft plaatsgevonden wordt, indien de geheimhouding van het onderzoek daardoor niet in het gedrang komt, in kennis gesteld van zijn bevoegdheid om binnen veertien dagen na kennisgeving een klaagschrift ingevolge artikel 552a in te dienen bij de rechtbank.”
- Artikel 25 van het Tweede aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken (hierna: ERV), in de Nederlandse vertaling:
“De verzoekende Partij kan verlangen dat de aangezochte Partij het verzoek en de inhoud daarvan vertrouwelijk behandelt, voorzover nodig voor de uitvoering van het verzoek. Indien de aangezochte Partij niet aan het vereiste van vertrouwelijkheid kan voldoen, brengt zij de verzoekende Partij hiervan onverwijld op de hoogte.”
2.4.1
Op grond van artikel 25 Tweede aanvullend Protocol ERV kan de verzoekende Staat verlangen dat Nederland als aangezochte Staat het rechtshulpverzoek en de inhoud daarvan vertrouwelijk behandelt. De daaruit voortvloeiende verplichting tot geheimhouding geldt ook in gevallen waarin na een kennisgeving als bedoeld in artikel 5.1.11 lid 1 Sv op grond van artikel 552a Sv een klaagschrift is ingediend.
2.4.2
De verplichting tot geheimhouding staat er niet aan in de weg dat het openbaar ministerie op grond van artikel 23 lid 5 Sv alle stukken die op de zaak betrekking hebben, moet overleggen en dat de raadkamer die over het klaagschrift moet oordelen van die stukken kennisneemt. De raadkamer moet deze stukken immers in de beoordeling van het klaagschrift betrekken. De verplichting tot geheimhouding zal doorgaans grond geven voor het oordeel dat het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad als de klager en/of zijn raadsman kennis kunnen nemen van het rechtshulpverzoek en de stukken waaruit de inhoud van het rechtshulpverzoek blijkt. In dat geval onthoudt de raadkamer hun die kennisneming op grond van artikel 23 lid 6 Sv. (Vgl., over de verplichting tot geheimhouding van een Europees onderzoeksbevel, HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:653.)
2.5
De rechtbank heeft geoordeeld dat, gelet op het verzoek van de Zwitserse autoriteiten om geheimhouding van het rechtshulpverzoek, de officier van justitie het rechtshulpverzoek op goede gronden niet aan de klagers en hun advocaat heeft verstrekt. Het daarin besloten liggende oordeel van de rechtbank dat het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad als de klagers en/of hun raadsman kennis kunnen nemen van het rechtshulpverzoek, getuigt – gelet op wat onder 2.4 is vooropgesteld – niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.
2.6
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, faalt het.

3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
20 januari 2026.