Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
4.Beslissing
20 januari 2026.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Holland. De zaak betreft een beklag op basis van artikel 5.1.11 in samenhang met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door twee klagers, geboren in 1966 en 1947. De rechtbank had eerder geoordeeld dat de kennisneming van een rechtshulpverzoek van de Zwitserse autoriteiten aan de klagers mocht worden onthouden, omdat deze autoriteiten om geheimhouding hadden verzocht. De klagers stelden dat zij niet in staat waren om de rechtmatigheid van de inbeslagname van hun computers te toetsen, omdat zij geen toegang hadden tot het rechtshulpverzoek.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en oordeelde dat de verplichting tot geheimhouding van het rechtshulpverzoek niet in de weg staat aan de verplichting van het Openbaar Ministerie om alle relevante stukken aan de raadkamer te overleggen. De rechtbank had op goede gronden geoordeeld dat het belang van het onderzoek ernstig zou worden geschaad als de klagers en hun raadsman kennis zouden nemen van het rechtshulpverzoek. De Hoge Raad verwierp het beroep van de klagers, waarbij werd opgemerkt dat de rechtbank voldoende gemotiveerd had geoordeeld over de geheimhouding en de gevolgen daarvan voor de klagers.
De uitspraak benadrukt de balans tussen de geheimhoudingsplicht in het kader van internationale rechtshulp en de rechten van de verdediging. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank niet onjuist had geoordeeld en dat de geheimhouding gerechtvaardigd was, gezien de omstandigheden van de zaak. De beslissing van de Hoge Raad is definitief en sluit de mogelijkheid van verdere rechtsmiddelen uit.