Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beslissing
21 april 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de verdachte werd veroordeeld voor vernieling van een raam in een cel en mishandeling van een medewerker van een penitentiaire inrichting. De verdachte stelde meerdere cassatiemiddelen voor, waaronder een klacht over de bewijskracht van de vernieling en de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over de inhoud van het hofarrest niet tot vernietiging konden leiden en hoefde deze niet nader te motiveren. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden.
Deze termijnoverschrijding leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 24 maanden naar 23 maanden. De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur en verwierp het beroep voor het overige. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren op 21 april 2026.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 24 naar 23 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.