Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
20 januari 2026.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 27 juni 2023. De verdachte, geboren in 1991, was eerder vrijgesproken in eerste aanleg, maar het hof had in hoger beroep de verdachte veroordeeld voor het medeplegen van het aanwezig hebben van cocaïne en heroïne, alsook voor voorbereidingshandelingen met betrekking tot de productie van deze drugs en het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie. De advocaat-generaal D.J.C. Aben had geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar enkel wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad oordeelde dat het cassatiemiddel niet tot cassatie leidde, maar constateerde dat de redelijke termijn voor het behandelen van het cassatieberoep was overschreden. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 31 maanden naar 28 maanden. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het hof, maar verwerpt het beroep voor het overige.