ECLI:NL:HR:2026:69

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
23/02479
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 EVRMArt. 2.C OpiumwetArt. 10a.1.3 OpiumwetArt. 26.1 WWM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in zaak medeplegen drugs en wapens

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van het aanwezig hebben van cocaïne en heroïne, medeplegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot de productie van deze drugs, en medeplegen van het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie in een pand te Rotterdam.

De verdachte was in eerste aanleg vrijgesproken, maar in hoger beroep veroordeeld. Het cassatiemiddel richtte zich op de motivering van het bewezenverklaarde, met name de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende gemotiveerd had waarom het beroep op onbetrouwbaarheid van verklaringen niet tot cassatie kon leiden, mede omdat verweren in eerste aanleg die niet in hoger beroep waren herhaald, niet hoefden te worden besproken.

Daarnaast stelde de advocaat-generaal voor om het cassatieberoep te verwerpen, behalve voor wat betreft de strafmaat. De Hoge Raad constateerde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, wat een strafvermindering rechtvaardigde. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest uitsluitend voor de strafmaat en verminderde de gevangenisstraf van 31 naar 28 maanden, terwijl het beroep voor het overige werd verworpen.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 31 naar 28 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; het cassatieberoep wordt verder verworpen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/02479
Datum20 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 27 juni 2023, nummer 22-000097-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) het bewezenverklaarde.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5 tot en met 8.

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 31 maanden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 28 maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
20 januari 2026.