Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
20 januari 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van het aanwezig hebben van cocaïne en heroïne, medeplegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot de productie van deze drugs, en medeplegen van het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie in een pand te Rotterdam.
De verdachte was in eerste aanleg vrijgesproken, maar in hoger beroep veroordeeld. Het cassatiemiddel richtte zich op de motivering van het bewezenverklaarde, met name de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende gemotiveerd had waarom het beroep op onbetrouwbaarheid van verklaringen niet tot cassatie kon leiden, mede omdat verweren in eerste aanleg die niet in hoger beroep waren herhaald, niet hoefden te worden besproken.
Daarnaast stelde de advocaat-generaal voor om het cassatieberoep te verwerpen, behalve voor wat betreft de strafmaat. De Hoge Raad constateerde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, wat een strafvermindering rechtvaardigde. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest uitsluitend voor de strafmaat en verminderde de gevangenisstraf van 31 naar 28 maanden, terwijl het beroep voor het overige werd verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 31 naar 28 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; het cassatieberoep wordt verder verworpen.