Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
20 januari 2026.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van de verdachte tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 27 juni 2023, waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van het bezit van cocaïne, heroïne en vuurwapens in Rotterdam.
De verdediging stelde meerdere cassatiemiddelen voor, maar de Hoge Raad oordeelde dat deze niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden. De Hoge Raad hoefde dit oordeel niet te motiveren omdat het niet van belang was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Wel stelde de Hoge Raad ambtshalve vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 31 maanden naar 28 maanden.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de strafmaat en verwierp het beroep voor het overige. De uitspraak werd gedaan door de vice-president Borgers en raadsheren Van Strien en Kuijer op 20 januari 2026.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 31 naar 28 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.