Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
20 januari 2026.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 27 juni 2023. De verdachte, geboren in 1996, was betrokken bij het medeplegen van het aanwezig hebben van cocaïne en heroïne, alsook voorbereidingshandelingen voor de productie van deze drugs en het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie. De advocaat-generaal D.J.C. Aben had geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar enkel wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, en tot vermindering daarvan. De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld, maar deze konden niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof. De Hoge Raad heeft echter ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, wat leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 31 maanden naar 28 maanden. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het hof vernietigd, maar enkel wat betreft de duur van de gevangenisstraf, en het beroep voor het overige verworpen.