Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
20 januari 2026.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 16 februari 2024. De verdachte, geboren in 1994, was in eerste aanleg vrijgesproken na een bewijsuitsluiting vanwege een onrechtmatige doorzoeking van zijn auto. De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige had geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar alleen wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Hoge Raad heeft het cassatiemiddel dat klaagde over de verwerping van het bewijsuitsluitingsverweer niet gegrond verklaard. De redenen hiervoor zijn uiteengezet in de conclusie van de advocaat-generaal. Echter, het tweede cassatiemiddel, dat stelde dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens was overschreden, werd wel gegrond verklaard. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 20 maanden naar 19 maanden.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de onrechtmatige doorzoeking van de auto niet leidde tot een schending van het recht op een eerlijk proces, en dat de strafvermindering een adequate compensatie bood voor het ondervonden nadeel. De uitspraak van het hof werd vernietigd, maar alleen wat betreft de duur van de gevangenisstraf, terwijl het beroep voor het overige werd verworpen.