ECLI:NL:HR:2026:721
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt matiging proceskostenvergoeding in bestuursrechtelijke zaak over WOZ-beschikking
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam over een WOZ-beschikking voor het jaar 2021. Het hof had de proceskostenvergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand gematigd tot €60, omdat de werkelijke kosten volgens het hof de redelijke kosten zouden overtreffen en het procesbelang gering was.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij het bepalen van de omvang van de matiging van de proceskostenvergoeding op grond van artikel 2, leden 2 en 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De Hoge Raad verwierp de middelen die stelden dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de matiging redelijk was.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat de overige klachten tegen het hof niet tot vernietiging leiden en dat het niet nodig is deze nader te motiveren. De Hoge Raad zag geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de matiging van de proceskostenvergoeding tot €60 wordt bevestigd.