ECLI:NL:HR:2026:73

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
24/02515
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over verkrachting van minderjarige na toediening van GHB en schadevergoedingsmaatregel

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag. De verdachte is beschuldigd van verkrachting van een 16-jarig meisje, waarbij hij haar heimelijk GHB heeft toegediend. De zaak omvatte verschillende juridische vragen, waaronder de mogelijkheid voor de benadeelde partij om zich te voegen in het strafproces zonder een concreet bedrag voor immateriële schade op te geven. De Hoge Raad oordeelde dat de benadeelde partij zich kan voegen met een vordering tot schadevergoeding, ook zonder een specifiek bedrag te noemen, mits zij voldoende feiten en omstandigheden aanvoert over de schade die zij heeft geleden. Het hof had eerder geoordeeld dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk was voor de immateriële schade van het slachtoffer, en stelde deze schade vast op € 5.000. De Hoge Raad bevestigde de beslissing van het hof en verwierp het cassatieberoep van de verdachte, waarbij hij opmerkte dat de motivering van het hof voldoende was om de aansprakelijkheid van de verdachte vast te stellen. De uitspraak benadrukt de noodzaak voor rechters om bij het opleggen van schadevergoedingsmaatregelen zorgvuldig te motiveren op basis van de feiten en omstandigheden van de zaak.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/02515
Datum20 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 26 juni 2024, nummer 22-002189-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat R.A.J. Verploegh bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
Namens de benadeelde partij [benadeelde] heeft de advocaat M.P. de Klerk bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte en de advocaat van de benadeelde partij hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2.Bewezenverklaring en bewijsvoering van feit 1 primair

2.1
Ten laste van de verdachte is onder 1 primair bewezenverklaard dat:
“hij op 7 april 2020 te [plaats] [benadeelde] door geweld en een andere feitelijkheid te weten
- het brengen van die [benadeelde] in een staat van bewusteloosheid en/of onmacht door het heimelijk toedienen van GHB,
heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde] , te weten het brengen en heen en weer bewegen van zijn penis in de vagina van die [benadeelde] .”
2.2
Het hof heeft over de bewezenverklaring overwogen:
“Aangeefster [benadeelde] heeft, samengevat, het volgende verklaard. Zij was op 7 april 2020 bij [getuige 1] . De verdachte haalde hen op om bij hem thuis een feestje te gaan vieren. Bij de verdachte thuis kreeg aangeefster twee Bacardi-Cola’s te drinken. Ze zag dat [getuige 1] steeds in slaap viel en rare dingen zei. Het tweede glas Bacardi-Cola wat aan aangeefster werd aangeboden, werd door de verdachte in de keuken ingeschonken. Korte tijd na het drinken van dit tweede glas werd aangeefster misselijk en duizelig, waardoor ze moest gaan liggen. De verdachte heeft haar naar zijn slaapkamer gebracht. Aangeefster heeft geen herinnering aan wat er in de periode daarna gebeurde. Ze werd naakt wakker, met een branderig gevoel in haar vagina, en ze was haar ondergoed kwijt.
Het hof stelt met de rechtbank vast dat aangeefster consistent en gedetailleerd heeft verklaard over de gebeurtenissen op 7 april 2020. Aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster draagt bij dat zij aanvankelijk heeft verklaard dat zij niet precies wist wat er gebeurd is. Dat zij op een later moment pas heeft verklaard dat zij op een later moment na haar ontwaken nog vrijwillig seks met de verdachte heeft gehad, weerspreekt haar eerdere verklaringen naar het oordeel van het hof niet. Daarmee acht het hof de verklaringen van aangeefster voldoende betrouwbaar om deze voor het bewijs te bezigen.
Het dossier bevat bovendien op essentiële onderdelen steunbewijs voor de verklaringen van aangeefster. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat de verdachte in de keuken GHB in het drankje van aangeefster wilde doen, dat verdachte dit met [getuige 1] besprak die hierop reageerde met "Wat doe je nu?", en dat de GHB in een waterflesje zat. Dit sluit aan bij de verklaring van aangeefster dat de verdachte het tweede glas in de keuken klaarmaakte. Bovendien is door de politie in de keuken van de verdachte een waterflesje met daarin GHB aangetroffen. Verder heeft [getuige 1] - in lijn met de verklaringen van aangeefster - verklaard dat hij in het begin van de avond ‘out’ was gegaan op de bank en dat hij vervolgens, toen hij in de badkamer aan het overgeven was, aangeefster naakt uit de slaapkamer van de verdachte zag komen.
Tegenover dit alles heeft de verdediging een alternatief scenario geschetst dat - kort gezegd - inhoudt dat aangeefster uitsluitend vrijwillig tweemaal seks, waaronder begrepen penetratie - met de verdachte heeft gehad en zij daarover een leugenachtige verklaring heeft afgelegd, omdat zij bang was voor (de reactie van) haar vriend en haar familie. Dit alternatieve scenario wordt echter nadrukkelijk weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zodat dit naar het oordeel van het hof niet aannemelijk is geworden.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of met deze gedragingen sprake is van verkrachting zoals onder 1 primair ten laste is gelegd. Om tot een bewezenverklaring van verkrachting te komen moet vast komen te staan dat de verdachte door geweld of andere feitelijkheden, of door bedreiging met geweld of andere feitelijkheden, het slachtoffer heeft gedwongen om het seksueel contact te ondergaan.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat sprake is van verkrachting. De verdachte heeft aangeefster buiten haar medeweten gedrogeerd door het toedienen van GHB. In die toestand van verminderd bewustzijn heeft de verdachte vervolgens seksuele handelingen met haar verricht, bestaand uit het penetreren van haar vagina met zijn penis. Het drogeren van een persoon voorkomt verzet en is dus een handeling waarmee seks wordt afgedwongen. Hierbij geldt dat het brengen in een staat van bewusteloosheid of onmacht gelijk kan worden gesteld aan geweld (ECLI:NL:HR:2007:BA7650). Dat ook sprake was van opzet volgt uit het toedienen van GHB en het verrichten van de seksuele handelingen toen aangeefster ten gevolge hiervan in een staat van bewusteloosheid was.
Concluderend komt het hof tot de hierna volgende bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde. Net als de rechtbank zal het hof de verdachte vrijspreken van het penetreren met de vinger(s) van de vagina van aangeefster.”
2.3
Het hof heeft in het kader van de strafmotivering onder meer overwogen:
“Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan verkrachting nadat hij het slachtoffer in een staat van bewusteloosheid had gebracht door heimelijk GHB toe te dienen. Door aldus te handelen heeft de verdachte zeer ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, voor wie het bewezen verklaarde buitengewoon vernederend en traumatisch moet zijn geweest. De verdachte heeft het fysieke en psychische welzijn van het slachtoffer, die ten tijde van het feit pas 16 jaar oud was, ondergeschikt gemaakt aan de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeften. Slachtoffers van feiten als het onderhavige, lijden dikwijls nog geruime tijd onder de psychische gevolgen van hetgeen hun is aangedaan. Dergelijke feiten veroorzaken bovendien gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij.”

3.Vordering van de benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

3.1
Bij de stukken bevindt zich een ‘Verzoek tot schadevergoeding’ namens de benadeelde partij [benadeelde] . Dit stuk houdt onder meer in:

4BImmateriële schade (smartengeld)
(...)
Omschrijving immateriële schade
Vertrouwen in personen is geschaad. Ik vertrouw mijn vrienden niet meer durf niks meer aan te nemen van andere mensen ik pak mijn eten zelf en mijn drinken ook
Soms ruik ik bacardi terwijl het alleen cola is.
Durf niet meer met mannelijke vrienden af te spreken.
Ik vorder vergoeding van mijn niet-vergoede schade plus de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. Zie de toelichting.
Ik verzoek u de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Ik behoud mij alle rechten voor om via een gerechtelijke procedure (aanvullende) schadevergoeding te verzoeken.”
3.2
De benadeelde partij was ten tijde van de behandeling in eerste aanleg minderjarig en werd wettelijk vertegenwoordigd door [betrokkene 1]. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 4 juli 2023 heeft [betrokkene 1] daar verklaard:
“Ik ben te boos om iets te zeggen. Mijn kind gebruikt nooit drugs. Zij heeft wel een trauma opgelopen dus ik vind een vergoeding voor de immateriële schade wel terecht.”
3.3
De rechtbank heeft over de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partij overwogen:
“De rechtbank begrijpt de vordering ten aanzien van de immateriële schade zo dat aan de rechtbank wordt gevraagd om de omvang van deze schadepost te schatten. Dat verzoek acht de rechtbank toewijsbaar. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, en gelet op de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend, zal de rechtbank de geleden immateriële schade daarom naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 5.000,-.”
3.4
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de benadeelde partij daar verklaard:
“De vordering ter zake van materiële schade wordt gehandhaafd. Als ik een vordering zou indienen voor geleden immateriële schade, dan zou deze ter hoogte van het door de rechtbank toegewezen bedrag zijn.
(...)
[De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen.]
De benadeelde partij geeft aan te persisteren bij de ingediende vordering.”
3.5
Volgens datzelfde proces-verbaal heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“De benadeelde heeft in eerste aanleg geen benadelingsbedrag aan immateriële schade gesteld. Niet in het formulier en ook niet ter terechtzitting. De rechtbank stelt echter gebruik te maken van de schattingsbevoegdheid. Dat kan echter pas nadat een schadebedrag door benadeelde/eiseres is gesteld. Dat is niet gebeurd. Dan kan een vordering benadeelde niet worden vastgesteld op een geschat bedrag (...). In hoger beroep is het ook niet mogelijk om het benadelingsbedrag te stellen of te verhogen. Er is geen vordering dan kan die ook niet worden toegewezen.”
3.6
Het hof heeft over de vordering van de benadeelde partij en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel overwogen:
“In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 bewezenverklaarde tenlastegelegde, tot een bedrag van € 40,00. Ter zake van immateriële schade is door de benadeelde partij noch op het voegingsformulier, noch ter terechtzitting in eerste aanleg een concreet bedrag ter zake van immateriële schade gevorderd. Het hof stelt daarmee vast dat er thans geen vordering ter zake van immateriële schadevergoeding ter beoordeling voorligt. In hoger beroep is deze vordering daarom aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 40,00 ter zake van materiële schade.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij, mede gegeven haar eigen verklaring dat zij kort na het onder 1 primair bewezenverklaarde feit is teruggekeerd naar de woning, niet voldoende onderbouwd dat als direct gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde materiële schade is geleden. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden afgewezen.
Gelet op het voorgaande dient de benadeelde partij te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde] ex art. 36f Wetboek van Strafrecht
Naar het oordeel van het hof staat evenwel vast dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de immateriële schade die door het onder 1 primair bewezenverklaarde is toegebracht. Derhalve zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen het naar billijkheid vastgestelde bedrag van € 5.000,00 aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde] . Het hof heeft bij de vaststelling van de hoogte van deze maatregel rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.”

4.Wettelijk kader, wetsgeschiedenis en relevante rechtspraak

4.1
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 51f lid 1 het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):
“Degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces.”
- Artikel 350 Sv:
“Indien het onderzoek in artikel 348 bedoeld, niet leidt tot toepassing van artikel 349, eerste lid, beraadslaagt de rechtbank op den grondslag der telastlegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting over de vraag of bewezen is dat het feit door den verdachte is begaan, en, zoo ja, welk strafbaar feit het bewezen verklaarde volgens de wet oplevert; indien wordt aangenomen dat het feit bewezen en strafbaar is, dan beraadslaagt de rechtbank over de strafbaarheid van den verdachte en over de oplegging van straf of maatregel, bij de wet bepaald.”
- Artikel 358 lid 2 Sv:
“In de andere gevallen bevat het vonnis de beslissing der rechtbank over de punten, bij artikel 350 vermeld.”
- Artikel 359 lid 2 en 5 Sv:
“2. De beslissingen vermeld in de artikelen 349, eerste lid, en 358, tweede en derde lid, zijn met redenen omkleed. Het vonnis geeft, indien de beslissing afwijkt van door de verdachte dan wel door de officier van justitie uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, in het bijzonder de redenen op die daartoe hebben geleid.
5. Het vonnis geeft in het bijzonder de redenen op, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid.”
- Artikel 361 lid 1 tot en met 4 Sv:
“1. Indien over de vordering van de benadeelde partij gelijktijdig met de strafzaak uitspraak dient te worden gedaan, beraadslaagt de rechtbank mede over de ontvankelijkheid van de benadeelde partij, over de gegrondheid van haar vordering en over de verwijzing in de kosten door die partij, de verdachte en, in het in artikel 51g, vierde lid bedoelde geval, diens ouders of voogd gemaakt. De beraadslaging over de verwijzing in de kosten vindt ook plaats indien artikel 333 toepassing heeft gevonden.
2. De benadeelde partij zal alleen ontvankelijk zijn in haar vordering indien:
a. de verdachte enige straf of maatregel wordt opgelegd, (...); en
b. aan haar rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezen verklaarde feit of door een strafbaar feit, waarvan in de dagvaarding is meegedeeld dat het door de verdachte is erkend en ter kennis van de rechtbank wordt gebracht, en waarmee door de rechtbank bij de strafoplegging rekening is gehouden.
3. Indien behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, kan de rechtbank op verzoek van de verdachte of op vordering van de officier van justitie dan wel ambtshalve, bepalen dat de vordering in het geheel of ten dele niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. 4. Het vonnis houdt, tenzij de rechtbank met toepassing van artikel 333 zonder nader onderzoek van de zaak de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij heeft uitgesproken, ook in de beslissing van de rechtbank over de vordering van de benadeelde partij. Deze beslissing is met redenen omkleed.”
- Artikel 421 lid 2 tot en met 4 Sv:
“2. Heeft de voeging in eerste aanleg plaats gehad, dan duurt zij, voor zover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen, van rechtswege voort in hoger beroep.
3. Voor zover de gevorderde schadevergoeding niet is toegewezen kan de benadeelde partij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in hoger beroep voegen. Titel IIIa van het Eerste Boek is, met uitzondering van artikel 51f, eerste tot en met derde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de ingevolge artikel 51g vereiste opgave kan worden volstaan met een verwijzing naar de opgave van de eerste vordering, indien deze ongewijzigd is gebleven.
4. Indien geen hoger beroep is ingesteld, kan de benadeelde partij tegen het deel van het vonnis waarbij haar vordering is afgewezen, tegen deze afwijzing in hoger beroep komen bij het gerechtshof. De tweede afdeling van de Zesde Titel van Boek II is niet van toepassing. De bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering inzake het rechtsgeding in hoger beroep en cassatie zijn van overeenkomstige toepassing. Voor het geding wordt geen griffierecht geheven.”
- Artikel 36f lid 1 en 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), zoals dat luidde ten tijde van het bewezenverklaarde:
“1. Aan degene die bij rechterlijke uitspraak wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld tot een straf of aan wie bij rechterlijke uitspraak een maatregel of een last als bedoeld in artikel 37 wordt opgelegd, of waarbij door de rechter bij de strafoplegging rekening is gehouden met een strafbaar feit, waarvan in de dagvaarding is meegedeeld dat het door de verdachte is erkend en ter kennis van de rechtbank wordt gebracht dan wel jegens wie een strafbeschikking wordt uitgevaardigd, kan de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer of de personen genoemd in de zin van artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. De staat keert een ontvangen bedrag onverwijld uit aan het slachtoffer of de personen genoemd in artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
2. De maatregel kan worden opgelegd indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.”
- Artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW):
“Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:
a. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.”
- Artikel 149 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv):
“1. Tenzij uit de wet anders voortvloeit, mag de rechter slechts die feiten of rechten aan zijn beslissing ten grondslag leggen, die in het geding aan hem ter kennis zijn gekomen of zijn gesteld en die overeenkomstig de voorschriften van deze afdeling zijn komen vast te staan. Feiten of rechten die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende zijn betwist, moet de rechter als vaststaand beschouwen, behoudens zijn bevoegdheid bewijs te verlangen, zo vaak aanvaarding van de stellingen zou leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat.
2. Feiten of omstandigheden van algemene bekendheid, alsmede algemene ervaringsregels mogen door de rechter aan zijn beslissing ten grondslag worden gelegd, ongeacht of zij zijn gesteld, en behoeven geen bewijs.”
- Artikel 150 Rv:
“De partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, draagt de bewijslast van die feiten of rechten, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit.”
4.2
De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot (onder meer) de invoering van de schadevergoedingsmaatregel zoals bedoeld in artikel 36f Sr houdt onder meer in:
“De voorwaarde van de civielrechtelijke aansprakelijkheid voor de schade is bepalend voor de reikwijdte van de kring van begunstigden van de schadevergoedingsmaatregel. Het wetsvoorstel wijkt in dit opzicht af van het voorstel van de Commissie-Terwee, waarin de bevoegdheid van de rechter om de schadevergoedingsstraf op te leggen, beperkt is tot die gevallen waarin het slachtoffer zich als benadeelde partij heeft gevoegd. Deze beperking is niet overgenomen omdat er geen reden is de beperkingen die aan de kring van personen die zich kunnen voegen zijn gesteld en die voortvloeien uit de overwegingen waarop de voegingsprocedure berust, van toepassing te verklaren op de begunstigden van de schadevergoedingsmaatregel. Zoals in paragraaf 2.1 van deze memorie uiteen is gezet, berust de voegingsprocedure voornamelijk op proces-economische overwegingen. Deze overwegingen liggen niet ten grondslag aan de schadevergoedingsmaatregel, zodat beperkingen die voortvloeien uit de legitimatie van deze procedure niet van toepassing behoren te zijn op de schadevergoedingsmaatregel. Daarbij komt dat de rechter binnen de grenzen die het materiële recht stelt vrij is in zijn straftoemeting. Hij kan de hem ter beschikking staande sancties ambtshalve toepassen. Het maken van een uitzondering op dit beginsel op grond van de praktische overweging dat het slachtoffer anders tegen zijn wil geconfronteerd kan worden met een schadevergoeding van de dader, acht ik niet nodig. Ik meen ervan uit te mogen gaan dat de rechter van de schadevergoedingsmaatregel zal afzien als het slachtoffer geen prijs stelt op schadevergoeding door de dader.”
(Kamerstukken II 1989/90, 21345, nr. 3, p. 19 en 20.)
4.3
In zijn arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:
“2.1 Art. 51f Sv bepaalt dat diegene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich als benadeelde partij kan voegen in het strafproces met een vordering tot vergoeding van die schade. Op die vordering van de benadeelde partij is het materiële burgerlijk recht van toepassing. Los van een door de benadeelde partij ingestelde vordering kan de rechter ambtshalve de in art. 36f, eerste lid, Sr bedoelde schadevergoedingsmaatregel opleggen indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Deze maatregel komt hierna onder 2.9 kort aan de orde.
(...)
De aldus voorziene eenvoudige procedure biedt aan de benadeelde partij en de verdachte niet dezelfde processuele waarborgen als een gewone civielrechtelijke procedure, onder meer omdat in de context van de strafrechtelijke procedure ingevolge art. 334 Sv slechts in beperkte mate plaats is voor bewijslevering. Dit bezwaar wordt echter in afdoende mate ondervangen door (...) art. 361, derde lid, Sv, welke bepaling mede in het licht van art. 6, eerste lid, EVRM aldus moet worden uitgelegd dat zij de strafrechter tot niet-ontvankelijkverklaring verplicht indien hij niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren.
Het bieden van die eenvoudige en laagdrempelige procedure tot schadeloosstelling van de benadeelde partij kan de strafrechter voor complexe afwegingen stellen, nu de rechter ervoor moet zorgen dat daarbij zowel de materiële, civielrechtelijke voorschriften als de processuele regels en waarborgen die gelden bij de beoordeling van een vordering van een benadeelde partij in acht worden genomen, terwijl de rechter daarnaast heeft te oordelen over de in de strafzaak zelf aan de orde zijnde vragen. (...).
b) Ander nadeel dat voor vergoeding in aanmerking komt: immateriële schade
(art. 6:106 BW)
(...)
2.4.5
Van (...) aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht. (...)
Beoordeling en beslissing rechter
2.8.1
Voor de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij gelden niet de bewijs(minimum)regels van het Wetboek van Strafvordering maar de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken. Overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv rust op de benadeelde partij die een vordering instelt in beginsel de last de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. In de context van het strafproces heeft die stelplicht in het bijzonder betrekking op de feiten en omstandigheden die niet kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens met betrekking tot het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit, hetgeen in het bijzonder geldt voor feiten en omstandigheden die bepalend zijn voor de aard en omvang van de gevorderde schade.
2.8.2
In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan.
2.8.3
In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, zal de rechter uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. art. 149 Rv) en zal de vordering in de regel worden toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt of zich het (...) geval voordoet waarin de rechter door de beperkingen van het strafproces niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen. In laatstgenoemd geval ligt het in de rede dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en zij haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Slechts in gevallen waarin de niet-toewijsbaarheid niet volgt uit de beperkingen van het strafproces, de benadeelde partij genoegzaam in de gelegenheid is geweest haar vordering te onderbouwen en de ongegrondheid van die vordering in voldoende mate is komen vast te staan, kan de rechter ervoor kiezen de vordering af te wijzen. (...)
2.8.6
Art. 361, vierde lid, Sv schrijft voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. De begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij is mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering dus meer aandacht vragen.
2.8.7 (...)
De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, alsmede, in geval van letselschade, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. (...)
De schadevergoedingsmaatregel (art. 36f Sr)
2.9.1
Art. 36f Sr bepaalt, kort gezegd, dat de rechter aan de verdachte de verplichting kan opleggen tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ten behoeve van het slachtoffer of de personen genoemd in art. 51f, tweede lid, Sv, indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Ook voor het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel is daarnaast vereist dat sprake is van (...) ‘rechtstreekse schade’.
2.9.2
Uit de bewoordingen alsmede de geschiedenis van de totstandkoming van art. 36f Sr volgt dat de in die bepaling bedoelde maatregel een strafrechtelijke sanctie is die los van de beslissing in de voegingsprocedure kan worden opgelegd. De schadevergoedingsmaatregel kan door de rechter ook worden opgelegd indien het slachtoffer geen schadevergoeding heeft gevorderd of niet in zijn vordering kan worden ontvangen. Hieruit volgt ook dat de rechter niet is gehouden het bedrag van de betalingsverplichting als bedoeld in art. 36f Sr op hetzelfde bedrag te stellen als het bedrag waarvoor hij de daarmee verband houdende vordering van de benadeelde partij heeft toegewezen. (...)”
5. Beoordeling van het cassatiemiddel dat namens de benadeelde partij is voorgesteld
5.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat de benadeelde partij geen concreet bedrag aan immateriële schade heeft gevorderd en dat in het strafproces dus geen vordering tot vergoeding van immateriële schade voorligt.
5.2
De benadeelde partij heeft onvoldoende belang bij deze klacht. Zoals hierna aan de orde zal komen heeft het hof immers ten behoeve van de benadeelde partij een schadevergoedingsmaatregel opgelegd voor het bedrag dat zij volgens haar verklaring op de terechtzitting in hoger beroep zou vorderen ‘als zij een vordering zou indienen’, en het daartegen gerichte cassatieberoep van de verdachte faalt.
5.3
Opmerking verdient dat de rechter immateriële schade naar billijkheid begroot. Dat brengt mee dat de benadeelde partij zich met een vordering tot vergoeding van immateriële schade in het strafproces kan voegen, ook zonder dat zij de schade heeft begroot op een concreet bedrag. De vordering strekt er dan toe dat de rechter de schade begroot (vgl. HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7539, rechtsoverweging 3.6). Ook in zo’n geval zal de benadeelde partij feiten en omstandigheden moeten stellen over de manier waarop en de mate waarin zij in haar persoon is aangetast en over de gevolgen die zij van het strafbare feit heeft ondervonden, om de rechter voldoende aanknopingspunten te bieden voor het naar billijkheid begroten van de immateriële schade. De rechter moet ervoor zorgen dat de verdachte in voldoende mate in de gelegenheid is geweest zich over die feiten en omstandigheden uit te laten.
6. Beoordeling van het derde cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld
6.1
Het cassatiemiddel klaagt in de eerste plaats dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door een schadevergoedingsmaatregel op te leggen voor door het slachtoffer geleden immateriële schade, terwijl het slachtoffer zich ter zake van die schade niet met een vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij in het strafproces heeft gevoegd.
6.2
Het cassatiemiddel miskent dat de schadevergoedingsmaatregel door de rechter ook kan worden opgelegd als het slachtoffer zich niet met een vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij in het strafproces heeft gevoegd. Dit lijdt uitzondering als de rechter aanwijzingen heeft dat het slachtoffer geen prijs stelt op een schadevergoeding. Die aanwijzingen kunnen niet zonder meer worden afgeleid uit het feit dat een slachtoffer zich niet met een vordering in het strafproces heeft gevoegd. Voor zover het cassatiemiddel tot uitgangspunt neemt dat het slachtoffer geen prijs stelde op een schadevergoeding mist het feitelijke grondslag, nu het hof weliswaar heeft vastgesteld dat de benadeelde partij noch op het voegingsformulier, noch ter terechtzitting in eerste aanleg een concreet bedrag ter zake van immateriële schade heeft gevorderd, zodat “er thans geen vordering ter zake van immateriële schadevergoeding ter beoordeling voorligt”, maar uit het voegingsformulier en de toelichting daarop ter terechtzitting kennelijk heeft afgeleid dat het slachtoffer aanspraak maakte op vergoeding van immateriële schade.
6.3
Het cassatiemiddel klaagt verder dat het hof zijn beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd, nu uit de overwegingen van het hof niet kan worden afgeleid op basis van welke in artikel 6:106 BW vermelde grond en welke door het hof vastgestelde omstandigheden het hof zijn oordeel heeft gebaseerd dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de door het slachtoffer geleden immateriële schade.
6.4.1
Artikel 36f Sr bepaalt, kort gezegd, dat de rechter aan de verdachte de verplichting kan opleggen tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ten behoeve van het slachtoffer of de personen genoemd in artikel 51f lid 2 Sv, indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en, voor zover de benadeelde partij zich met een vordering in het strafproces heeft gevoegd, toewijzing van de vordering van de benadeelde partij kunnen naast elkaar plaatsvinden. (Vgl. HR 12 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1408.)
6.4.2
De rechter moet de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel op grond van artikel 359 lid 2 en 5 Sv motiveren. Dat betekent dat uit de motivering in ieder geval zal moeten blijken dat en in hoeverre de verdachte naar burgerlijk recht jegens het slachtoffer aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.
6.4.3
Als de benadeelde partij zich met een vordering in het strafproces heeft gevoegd, de rechter deze vordering toewijst en ook de schadevergoedingsmaatregel oplegt, zal de begrijpelijkheid van de beslissing tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel in het algemeen volgen uit de motivering van de beslissing over de vordering van de benadeelde partij.
6.4.4
Voor zover de rechter de schadevergoedingsmaatregel oplegt en niet ook een vordering van de benadeelde partij toewijst, omdat de benadeelde partij zich niet met een vordering in het strafproces heeft gevoegd of omdat er gronden zijn die in de weg staan aan toewijzing van die vordering die niet zien op de materiële verschuldigdheid van die vordering, zal uit de beslissing van de rechter moeten volgen waarom de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Daarbij is ook voor de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel van belang dat het in beginsel, conform de hoofdregel van artikel 150 Rv, aan het slachtoffer is de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – waaruit de schade kan worden afgeleid. (Vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, rechtsoverweging 2.8.1). Hierbij kan ook het openbaar ministerie een rol spelen. Oplegging van de schadevergoedingsmaatregel is dus niet mogelijk als de rechter over onvoldoende gegevens beschikt om te kunnen vaststellen dat de verdachte jegens het slachtoffer aansprakelijk is voor door het slachtoffer geleden schade, waaronder gegevens die bepalend zijn voor de aard en omvang van de geleden schade (vgl. artikel 149 Rv). Verder moet de rechter er ook bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor zorgen dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest zich over die feiten en omstandigheden uit te laten. De begrijpelijkheid van de beslissing tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel is in zo’n geval mede afhankelijk van de manier waarop het debat over die schade is gevoerd en de stukken die in dat verband in het geding zijn gebracht.
6.5
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte de benadeelde partij buiten haar medeweten heeft gedrogeerd door het toedienen van GHB en dat hij, toen zij als gevolg daarvan in een toestand van bewusteloosheid verkeerde, zich vervolgens schuldig heeft gemaakt aan verkrachting. Verder heeft het hof vastgesteld dat de verdachte een zeer ernstige inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, dat ten tijde van het feit zestien jaar oud was, en dat dit buitengewoon vernederend en traumatisch voor haar moet zijn geweest. Het hof heeft kennelijk hierop zijn oordeel gebaseerd dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de immateriële schade die door dit bewezenverklaarde feit aan het slachtoffer is toegebracht, zoals het hof bij het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel heeft overwogen. Het hof heeft de omvang van die schade naar billijkheid vastgesteld op € 5.000.
6.6
Het in deze overwegingen besloten liggende oordeel van het hof dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet onbegrijpelijk.
6.7
Het cassatiemiddel faalt.

7.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen van de verdachte

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

8.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada, G.C. Makkink, C.N. Dalebout en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
20 januari 2026.