Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:733

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
24/03521
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17, lid 1, AwbArt. 1:3, lid 3, Awbparagraaf 4.1.3.2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen dwangsom bij niet-tijdig beslissen op bezwaar tegen dwangsombesluit

Belanghebbende verzocht de Inspecteur om ambtshalve vermindering van een aanslag inkomstenbelasting 2020. Omdat niet tijdig werd beslist, stelde belanghebbende de Inspecteur in gebreke en verzocht om vaststelling van een dwangsom. De Inspecteur stelde vast dat geen dwangsom was verbeurd en belanghebbende maakte bezwaar tegen deze beschikking.

Belanghebbende stelde vervolgens de Inspecteur in gebreke wegens het niet-tijdig beslissen op het bezwaar. De Inspecteur besloot het bezwaar gegrond en stelde alsnog een dwangsom vast voor het niet-tijdig beslissen op het verzoek om vermindering, maar kende geen dwangsom toe voor het niet-tijdig beslissen op het bezwaar zelf.

De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende tegen deze laatste beslissing ongegrond, stellende dat het eerste dwangsombesluit geen beschikking op aanvraag is in de zin van artikel 4:17, lid 1, Awb, en dat daarom geen dwangsom kan worden verbeurd bij het niet-tijdig beslissen op bezwaar tegen een dwangsombesluit.

De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en motiveert dat de wettelijke regeling in de Awb stapeling van dwangsommen voorkomt, waardoor ook geen dwangsom kan worden verbeurd voor het niet-tijdig beslissen op bezwaar tegen een dwangsombesluit. Hoewel een uitspraak op bezwaar een besluit op aanvraag is, geldt hier een uitzondering om stapeling te vermijden.

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en veroordeelt partijen niet in de proceskosten.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat geen dwangsom kan worden verbeurd voor het niet-tijdig beslissen op bezwaar tegen een dwangsombesluit.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/03521
Datum1 mei 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 september 2024, nr. BRE 23/9564 [1] , betreffende een verzoek van belanghebbende om toekenning van een dwangsom wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar tegen een dwangsombesluit.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door T.G. van Laarhoven, heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1
Belanghebbende heeft bij de Inspecteur een verzoek ingediend om ambtshalve vermindering van de aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 2020. Omdat niet tijdig op dat verzoek werd beslist, heeft belanghebbende de Inspecteur in gebreke gesteld. Toen na afloop van de daarbij gestelde termijn nog niet was beslist, heeft belanghebbende de Inspecteur verzocht om de verbeurde dwangsom bij beschikking vast te stellen. Daarop heeft de Inspecteur bij beschikking vastgesteld dat geen dwangsom is verbeurd (hierna: het eerste dwangsombesluit). Tegen deze beschikking heeft belanghebbende bezwaar gemaakt (hierna: het bezwaar).
2.2
Belanghebbende heeft de Inspecteur in gebreke gesteld omdat deze niet tijdig had beslist op het bezwaar. De Inspecteur heeft daarna alsnog uitspraak gedaan op het bezwaar. Hij heeft daarbij het bezwaar gegrond verklaard en alsnog een dwangsom vastgesteld wegens niet-tijdig beslissen op het hiervoor in 2.1 vermelde verzoek om ambtshalve vermindering. Bovendien heeft de Inspecteur daarbij beslist dat hij geen dwangsom aan belanghebbende toekent wegens niet-tijdig beslissen op het bezwaar.
2.3
Tegen dat laatste besluit heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat het eerste dwangsombesluit geen beschikking op aanvraag is in de zin van artikel 4:17, lid 1, Awb, zodat de Inspecteur niet een dwangsom kan verbeuren wegens het niet-tijdig nemen ervan. Volgens de Rechtbank moet in lijn daarmee worden geoordeeld dat de Inspecteur ook geen dwangsom verbeurt bij het niet-tijdig nemen van een besluit op bezwaar tegen een dwangsombesluit. De Rechtbank wijst erop dat dit vaste rechtspraak is van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State en de Centrale Raad van Beroep, [2] en ziet geen aanleiding daarvan af te wijken.

3.Beoordeling van het middel

Het middel richt zich tegen het oordeel van de Rechtbank dat de Inspecteur geen dwangsom verbeurt bij het niet-tijdig nemen van een besluit op het bezwaar tegen een dwangsombesluit. Het middel faalt, aangezien dat oordeel juist is. In de wettelijke regeling over de dwangsom bij niet-tijdig beslissen in paragraaf 4.1.3.2 van de Awb ligt besloten dat een bestuursorgaan geen dwangsom kan verbeuren wegens het niet-tijdig vaststellen van een beschikking over de verschuldigdheid en de hoogte van een door hem verbeurde dwangsom. [3] Aldus voorkomt de wettelijke regeling een zogenoemde stapeling van dwangsommen. In lijn daarmee moet worden aangenomen dat evenmin een dwangsom wordt verbeurd, en dus evenmin een stapeling van dwangsommen kan optreden, indien niet tijdig wordt beslist op het bezwaar tegen (het uitblijven van) een dwangsombesluit. Het middel voert weliswaar terecht aan dat een uitspraak op bezwaar een besluit op aanvraag is, ook indien het bezwaar is gericht tegen een dwangsombesluit, maar in zoverre bestaat aanleiding een uitzondering aan te nemen op de regel dat de dwangsomregeling in paragraaf 4.1.3.2 van de Awb van toepassing is op iedere beschikking op een aanvraag in de zin van artikel 1:3, lid 3, Awb. [4]

4.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026.

Voetnoten

2.ABRvS 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4448, rechtsoverweging 4.1, CRvB 4 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1815, rechtsoverweging 4.2.6, en CRvB 22 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:307, rechtsoverweging 4.24.
3.Vgl. HR 21 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:906, rechtsoverweging 2.4.3.
4.Zie HR 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:134, rechtsoverweging 3.2.3.