ECLI:NL:HR:2026:733
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Geen dwangsom bij niet-tijdig beslissen op bezwaar tegen dwangsombesluit
Belanghebbende verzocht de Inspecteur om ambtshalve vermindering van een aanslag inkomstenbelasting 2020. Omdat niet tijdig werd beslist, stelde belanghebbende de Inspecteur in gebreke en verzocht om vaststelling van een dwangsom. De Inspecteur stelde vast dat geen dwangsom was verbeurd en belanghebbende maakte bezwaar tegen deze beschikking.
Belanghebbende stelde vervolgens de Inspecteur in gebreke wegens het niet-tijdig beslissen op het bezwaar. De Inspecteur besloot het bezwaar gegrond en stelde alsnog een dwangsom vast voor het niet-tijdig beslissen op het verzoek om vermindering, maar kende geen dwangsom toe voor het niet-tijdig beslissen op het bezwaar zelf.
De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende tegen deze laatste beslissing ongegrond, stellende dat het eerste dwangsombesluit geen beschikking op aanvraag is in de zin van artikel 4:17, lid 1, Awb, en dat daarom geen dwangsom kan worden verbeurd bij het niet-tijdig beslissen op bezwaar tegen een dwangsombesluit.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en motiveert dat de wettelijke regeling in de Awb stapeling van dwangsommen voorkomt, waardoor ook geen dwangsom kan worden verbeurd voor het niet-tijdig beslissen op bezwaar tegen een dwangsombesluit. Hoewel een uitspraak op bezwaar een besluit op aanvraag is, geldt hier een uitzondering om stapeling te vermijden.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en veroordeelt partijen niet in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat geen dwangsom kan worden verbeurd voor het niet-tijdig beslissen op bezwaar tegen een dwangsombesluit.