Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:749

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
23/04686
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 lid 1 sub 5 SrArt. 265 lid 1 SvArt. 319 lid 1 en 2 SvArt. 320 lid 1 en 3 SvArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over oproepingstermijn bij schorsing onderzoek voor bepaalde tijd

In deze strafzaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van de verdachte verworpen. De kern van het geschil betrof de vraag of bij een schorsing van het onderzoek ter terechtzitting voor bepaalde tijd een oproepingstermijn van ten minste tien dagen in acht moet worden genomen. De verdachte was niet aanwezig bij de aanvang van het onderzoek op 8 november 2023 en ook niet bij de hervatting op 27 november 2023.

De Hoge Raad heeft de relevante wetsartikelen uit het Wetboek van Strafvordering onderzocht, met name de artikelen 265, 319 en 320 Sv. Uit deze bepalingen volgt dat de wettelijke oproepingstermijn van tien dagen niet geldt bij schorsing van het onderzoek voor bepaalde tijd. De oproeping voor de hervatting geldt als aanzegging en kan korter zijn dan tien dagen.

Daarnaast heeft de Hoge Raad ambtshalve geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden, aangezien meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gezien de opgelegde straf van één maand acht de Hoge Raad dit echter niet aanleiding voor verdere rechtsgevolgen.

De Hoge Raad heeft het beroep verworpen en het arrest van het gerechtshof Den Haag van 27 november 2023 bevestigd.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat bij schorsing van het onderzoek voor bepaalde tijd geen oproepingstermijn van tien dagen geldt.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/04686
Datum12 mei 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 27 november 2023, nummer 22-001434-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat A.M.V. Bandhoe bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat bij de oproeping van de verdachte voor de nadere terechtzitting op 27 november 2023 niet de oproepingstermijn van tien dagen in acht is genomen.
2.2
Uit de stukken blijkt dat het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep op 8 november 2023 is aangevangen en vervolgens voor bepaalde tijd is geschorst tot 27 november 2023. De verdachte was op geen van beide terechtzittingen aanwezig.
2.3
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 265 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):
“1. Tussen de dag waarop de dagvaarding aan de verdachte is betekend en die der terechtzitting moet een termijn van ten minste tien dagen verlopen. (...)”
- Artikel 319 lid 1 en Pro 2 Sv:
“1. In alle gevallen waarin het onderzoek wordt onderbroken of voor een bepaalde tijd geschorst, wordt door de voorzitter aan de verdachte, diens raadsman, het slachtoffer, diens vertegenwoordiger op grond van artikel 51e, zesde of zevende lid, of de nabestaande, en aan de tolken, getuigen en deskundigen voor zover zij nog niet op de terechtzitting zijn gehoord, het tijdstip aangezegd, waarop zij bij de hervatting van het onderzoek op de terechtzitting aanwezig moeten zijn. (...) De aanzegging geldt als oproeping.
2. De verdachte, raadsman, het slachtoffer, diens vertegenwoordiger op grond van artikel 51e, zesde of zevende lid, of de nabestaande, getuigen, deskundigen en tolken die bij de in het eerste lid bedoelde aanzegging niet op de terechtzitting aanwezig zijn, worden in het geval van schorsing voor de nadere terechtzitting opnieuw opgeroepen. (...)”
- Artikel 320 lid 1 en Pro 3 Sv:
“1. In alle gevallen waarin het onderzoek voor een onbepaalde tijd is geschorst, worden, zodra de oorzaak der schorsing is vervallen, de verdachte, het slachtoffer, diens vertegenwoordiger op grond van artikel 51e, zesde of zevende lid, of de nabestaande, de getuigen, deskundigen en tolken, voor zover zij nog niet ter terechtzitting zijn gehoord, opnieuw opgeroepen. (...)
3. Met betrekking tot de oproeping van de verdachte is artikel 265 van Pro overeenkomstige toepassing.”
2.4
Anders dan het cassatiemiddel tot uitgangspunt neemt, schrijft de wet niet voor dat in het geval het onderzoek op de terechtzitting voor bepaalde tijd wordt geschorst, een termijn moet verlopen van ten minste tien dagen tussen de dag waarop de verdachte voor de nadere terechtzitting wordt opgeroepen en de dag waarop die nadere terechtzitting plaatsvindt.
2.5
Het cassatiemiddel faalt.

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van één maand volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 mei 2026.