Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
12 mei 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van de verdachte verworpen. De kern van het geschil betrof de vraag of bij een schorsing van het onderzoek ter terechtzitting voor bepaalde tijd een oproepingstermijn van ten minste tien dagen in acht moet worden genomen. De verdachte was niet aanwezig bij de aanvang van het onderzoek op 8 november 2023 en ook niet bij de hervatting op 27 november 2023.
De Hoge Raad heeft de relevante wetsartikelen uit het Wetboek van Strafvordering onderzocht, met name de artikelen 265, 319 en 320 Sv. Uit deze bepalingen volgt dat de wettelijke oproepingstermijn van tien dagen niet geldt bij schorsing van het onderzoek voor bepaalde tijd. De oproeping voor de hervatting geldt als aanzegging en kan korter zijn dan tien dagen.
Daarnaast heeft de Hoge Raad ambtshalve geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden, aangezien meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gezien de opgelegde straf van één maand acht de Hoge Raad dit echter niet aanleiding voor verdere rechtsgevolgen.
De Hoge Raad heeft het beroep verworpen en het arrest van het gerechtshof Den Haag van 27 november 2023 bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat bij schorsing van het onderzoek voor bepaalde tijd geen oproepingstermijn van tien dagen geldt.