Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:750

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
23/04687
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.C OpiumwetArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in zaak methamfetamine bezit ondanks vertaalverzuim

De zaak betreft het bezit van 101,1 gram methamfetamine, waarbij de verdachte in eerste aanleg werd gedagvaard zonder dat een Poolse vertaling van de dagvaarding in het dossier aanwezig was. Tevens was verzuimd de vertaling naar het bekende Nederlandse adres van de verdachte te sturen. Het hof Den Haag heeft de zaak behandeld en een uitspraak gedaan op 27 november 2023.

De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld, maar oordeelde dat deze niet tot vernietiging van het arrest konden leiden. De Hoge Raad hoefde geen motivering te geven omdat de klachten niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

Daarnaast heeft de Hoge Raad ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn van behandeling van het cassatieberoep was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het beroep. Gezien de opgelegde straf van drie maanden gevangenisstraf, waarvan één maand voorwaardelijk, achtte de Hoge Raad dit overschrijden niet aanleiding voor een ander rechtsgevolg.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep verworpen en het arrest van het hof gehandhaafd.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling tot drie maanden gevangenisstraf, waarvan één maand voorwaardelijk.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/04687
Datum12 mei 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 27 november 2023, nummer 22-002707-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat A.M.V. Bandhoe bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van drie maanden, waarvan één maand voorwaardelijk, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 mei 2026.