Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
19 mei 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 31 januari 2025, waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van witwassen van een geldbedrag van €6.100 door het ter beschikking stellen van een bankrekening aan zijn drugsdealer ten behoeve van bankfraude gericht op een stichting.
De verdediging voerde meerdere cassatiemiddelen aan, waaronder een bewijsklacht over medeplegen en de vermeende innerlijke tegenstrijdigheid in de bewezenverklaring met betrekking tot dezelfde geldstroom. Tevens werd betwist of het hof terecht een schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de stichting had opgelegd.
De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet konden leiden tot vernietiging van het arrest en dat het niet nodig was om de motivering nader toe te lichten, gelet op artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De strafmotivering, waaronder de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken, taakstraf van zestig uren en subsidiair dertig dagen hechtenis, werd door de Hoge Raad bevestigd. Het beroep werd derhalve verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Amsterdam wordt bevestigd met strafoplegging en schadevergoedingsmaatregel.