Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:758

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
25/00518
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 420bis.1.b SrArt. 36f Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in zaak medeplegen witwassen en bankfraude

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 31 januari 2025, waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van witwassen van een geldbedrag van €6.100 door het ter beschikking stellen van een bankrekening aan zijn drugsdealer ten behoeve van bankfraude gericht op een stichting.

De verdediging voerde meerdere cassatiemiddelen aan, waaronder een bewijsklacht over medeplegen en de vermeende innerlijke tegenstrijdigheid in de bewezenverklaring met betrekking tot dezelfde geldstroom. Tevens werd betwist of het hof terecht een schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de stichting had opgelegd.

De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet konden leiden tot vernietiging van het arrest en dat het niet nodig was om de motivering nader toe te lichten, gelet op artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

De strafmotivering, waaronder de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken, taakstraf van zestig uren en subsidiair dertig dagen hechtenis, werd door de Hoge Raad bevestigd. Het beroep werd derhalve verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Amsterdam wordt bevestigd met strafoplegging en schadevergoedingsmaatregel.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer25/00518
Datum19 mei 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 31 januari 2025, nummer 23-001454-24, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat T. Kocabas bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
19 mei 2026.