ECLI:NL:HR:2026:76

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
23/04826
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Witwassen van geldbedragen en wetenschap van criminele herkomst

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 december 2023. De verdachte, geboren in 1960, was in cassatie gegaan na een vrijspraak in eerste aanleg voor witwassen van geldbedragen, zoals bedoeld in artikel 420bis.1.b van het Wetboek van Strafrecht. De kern van de zaak draaide om de vraag of de verdachte wist dat het salaris dat hij ontving van december 2016 tot en met maart 2017 afkomstig was van een misdrijf. De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens concludeerde tot verwerping van het beroep, en de Hoge Raad volgde deze conclusie. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had vastgesteld dat de verdachte wist of op zijn minst willens en wetens een aanmerkelijke kans had aanvaard dat het geld dat hij ontving, afkomstig was uit beleggingsfraude. De Hoge Raad merkte op dat de verdachte meer dan enkel onvoorzichtig was geweest en dat zijn handelingen erop wezen dat hij bewust de gevolgen van het onder zich nemen van gelden afkomstig uit misdrijf op de koop toenam. De Hoge Raad verwerpt het beroep en constateert dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep is overschreden, maar verbindt hieraan geen rechtsgevolg. De uitspraak is gedaan door de vice-president en twee raadsheren, en is openbaar uitgesproken.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/04826
Datum20 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 december 2023, nummer 23-002796-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten N. van Schaik en H. Brentjes bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) het bewezenverklaarde.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand en de taakstraf van 72 uren, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
20 januari 2026.