Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
19 mei 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een klager die werkzaam is bij een kinderrechtenorganisatie in Engeland en zich verzette tegen beslag op gegevensdragers op grond van een vermeend zelfstandig verschoningsrecht. De rechtbank had geoordeeld dat klager geen zelfstandig verschoningsrecht toekomt. Klager stelde dat hem als directeur en legal expert wel een zelfstandig of afgeleid verschoningsrecht toekomt en diende een klaagschrift in op grond van artikel 98 lid 4 jo Pro. 552a Sv.
De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het cassatieberoep, waarbij de kernvraag was of de 14-dagentermijn voor het indienen van schriftuur na aanzegging ook geldt indien klager zich op een zelfstandig verschoningsrecht beroept, terwijl de rechtbank dit recht ontkent. De Hoge Raad bevestigde dat deze termijn ook in een dergelijk geval geldt.
De aanzegging werd betekend op 27 november 2025, maar de schriftuur werd pas op 19 december 2025 ingediend, waardoor de termijn werd overschreden. Daarom kon de Hoge Raad het beroep niet in behandeling nemen en verklaarde het niet-ontvankelijk. De advocaat-generaal had eveneens geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
Uitkomst: Het cassatieberoep van klager wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de 14-dagentermijn voor het indienen van schriftuur.