Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Beslissing
19 mei 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over verduistering van geldbedragen in 2011 en 2015. De verdachte werd onder meer beschuldigd van verduistering van geldbedragen van drie benadeelde partijen in de periode 2010-2017.
De Hoge Raad oordeelt dat de feiten van verduistering die plaatsvonden tot en met 16 november 2011 zijn verjaard, omdat de absolute verjaringstermijn van twaalf jaar is verstreken. De verjaringstermijn begon te lopen op 17 november 2011, en is derhalve op 16 november 2023 verstreken. Hierdoor is het recht tot strafvervolging voor deze feiten vervallen.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland voor zover deze betrekking hebben op de verjaarde feiten en de daarbij behorende schadevergoedingsvorderingen. Het openbaar ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van deze feiten. De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor hernieuwde behandeling van de strafoplegging voor het niet-verjaarde feit uit 2015.
De benadeelde partijen worden eveneens niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen tot schadevergoeding voor de verjaarde feiten. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard wegens verjaring van verduisteringsfeiten uit 2011; strafoplegging voor een ander feit is terugverwezen naar het hof.