2.3Het hof heeft over de bewezenverklaring verder onder meer overwogen:
“Feiten en omstandigheden
De aanleiding voor het strafrechtelijke onderzoek naar [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (Monte Titano II) is een eerder strafrechtelijk onderzoek onder de naam Monte Titano naar onder meer oplichting door [A] en [B] . De activiteiten van [B] waren een voortzetting van de organisatie die vanaf het derde kwartaal 2015 tot en met juli 2016 obligaties onder de naam [A] verkocht. [B] is vanaf medio 2016 gestart met het verkopen van obligaties. [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) was één van de leidinggevenden van deze rechtspersonen.
De oplichting door [A] en [B] vond plaats doordat onder valse voorwendselen beleggers werden bewogen tot het investeren in obligaties. Aan beleggers werd voorgehouden dat zou worden geïnvesteerd in onroerend goed ( [A] ) en in windenergie ( [B] ). Voor [A] en [B] is in totaal ruim € 7,4 miljoen binnengehaald van beleggers. Voor wat betreft [B] is daarvan helemaal niets geïnvesteerd in het doel dat was voorgehouden en bij [A] was dat slechts een klein gedeelte.
Op 28 juni 2019 is [medeverdachte 3] door de rechtbank Amsterdam veroordeeld voor (onder andere) het oplichten van alle investeerders in [A] en [B] . Dit vonnis is bij arrest van dit hof van 5 december 2023 bevestigd, behalve wat betreft de strafoplegging, de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdachten [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] werkten in 2016 alle drie als verkoper/account-manager voor de organisatie die, onder leiding van onder andere [medeverdachte 3] , obligaties [A] en [B] verkocht. Verkopers belden aan de hand van bellijsten naar potentiële klanten of zij geïnteresseerd waren en of informatie mocht worden toegezonden. Vervolgens belden andere verkopers, waaronder [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , of beleggers obligaties wilden kopen en geld wilden inleggen. [verdachte] werkte aanvankelijk als verkoper en vervolgens (een deel van haar tijd) voor de administratie en het relatiebeheer.
(...) [verdachte] werd voor haar werkzaamheden voor [A] en [B] vanaf 1 juni 2016 betaald door [C] B.V.
Medio 2016 werd gestart met de verkoop van [B] , een fonds dat zou beleggen in windenergie. Er zouden windmolens worden aangekocht of gebouwd in [plaats] of in [plaats] . Volgens [verdachte] was de informatie die de klanten kregen onvoldoende en werd hen voorgehouden dat aanvullende informatie later kwam. [medeverdachte 1] vroeg aan [medeverdachte 3] hoe het zat met de subsidie voor [B] , waarop [medeverdachte 3] zei: ‘We wachten nog op de laatste stempel’, hetgeen volgens [medeverdachte 1] steeds ‘volgende week, volgende week’ werd. Dit, terwijl [medeverdachte 1] wist dat de subsidie een verkooptool was en ook door hem aan potentiële investeerders werd verteld. Informatie die [medeverdachte 1] aan klanten vertelde, was afkomstig van [medeverdachte 3] of van [betrokkene 1] of had hij zelf opgezocht op internet, zoals informatie over windturbines; hij maakte daar dan een ‘smeuïg verhaal van met feiten’, ‘hij moest dingen verkopen.’
Begin november 2016 kregen de verkopers een bericht dat het payroll bedrijf zou stoppen met verlonen van de salarissen en dat hun contract was beëindigd. Iedereen moest per direct over naar een contract van [B] . [medeverdachte 2] regelde dit in opdracht van [medeverdachte 3] . Over het contract en de voorwaarden mochten ze niets zeggen, maar het zag er volgens [verdachte] ‘allemaal raar uit, verschillende lettertypes en zo’. Aan de voorwaarden veranderde volgens haar eigenlijk niets. [medeverdachte 1] heeft hierover verklaard: ‘Voor ons was het elke keer dat er weer iets anders kwam, een andere stichting, ander bestuur. Voor mij was het van ‘het zal wel, als ik mijn salaris maar beur’.
Het windmolenproject lag van de ene op de andere dag stil en eind november 2016 werd overgestapt naar een nieuw project, [projectnaam 1] . Dit project was verzonnen door [medeverdachte 3] en betrof ‘iets met huisjes in Frankrijk’. Hier werden ook obligaties voor verkocht. Voor een ander nieuw project, [projectnaam 2] ( [D] obligaties voor leningen aan MKB’ers en [H] obligaties voor vakantiewoningen in [plaats] ), waren aanvankelijk geen brochures om de klanten van informatie te voorzien. Er zijn toen door de verdachten vragen verzameld uit de verkoopgesprekken. [verdachte] heeft deze in een Powerpoint verwerkt, zodat die verstuurd kon worden aan klanten. De inhoud hiervan was afkomstig van de website en werd door [medeverdachte 3] aan [verdachte] doorgegeven. De rekenvoorbeelden heeft [verdachte] op verzoek van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] opgesteld. Volgens [medeverdachte 1] heeft [verdachte] de staten voor dit product gemaakt omdat zij goed was met cijfers en was het ‘vage bullshit’.
In december 2016 kwamen berichten in de media over beschuldigingen door de FIOD over oplichting tegen [A] in samenhang met [B] . [medeverdachte 1] heeft van [medeverdachte 2] gehoord dat [medeverdachte 4] een inval van de FIOD verwachtte en volgens [medeverdachte 3] was het handig om naar een andere locatie te gaan kijken. In diezelfde maand deelde [medeverdachte 3] aan de verkopers mee dat de ING-rekeningen niet meer moesten worden gebruikt om gelden van beleggers te laten storten en dat alles was omgezet naar de BUNQ-bank. Iedereen kreeg van [medeverdachte 3] te horen dat ze er mee bezig waren en dat de bankrekeningen bevroren waren. Na een paar weken was er weer een andere bank. [verdachte] heeft hierover verklaard dat zij dat een raar verhaal vonden en hierover contact hebben opgenomen met de bank, maar die wilde hier niets over zeggen. [medeverdachte 3] hield de boot af als ergens om werd gevraagd. Volgens [verdachte] ‘hebben we met zijn allen half december 2016 gevraagd over hoe het kon en hoe het verder moest’.
Op 16 december 2016 is het verkoopkantoor verhuisd naar de [a-straat] in [geboorteplaats] . Volgens één van de andere verkopers, [betrokkene 2] , had [medeverdachte 2] verteld dat alles wat een link kon aantonen tussen [B] en [A] moest verdwijnen. Ze moesten hun bellijsten inleveren en hij kreeg zijn oude leads allemaal weer terug op de [a-straat] om te gaan bellen voor nieuwe producten. Degenen die werden gebeld kenden de link met [B] en [A] niet, omdat werd gebeld namens [projectnaam 2] . [medeverdachte 2] heeft verklaard dat na de publicaties in de media over mogelijke fraude, klanten niet meer werden gebeld namens [B] . Ook [verdachte] en [medeverdachte 1] wisten dat klanten in het vervolg werden gebeld namens [projectnaam 2] .
In december 2016 waren er problemen om de salarissen van de verkopers te betalen. Deze problemen werden veroorzaakt doordat de bankrekeningen waren bevroren en/of omdat twee verkopers het faillissement van [B] hadden aangevraagd. Er is een afspraak geweest bij het [E] langs [b-straat] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben toen € 5.000 contant van [betrokkene 3] ontvangen. Dat geld is aan het personeel uitbetaald. Naar aanleiding van het faillissement is het personeel, met een man of tien naar een curator geweest. Daar is gesproken over het feit dat het personeel nog steeds wilde werken voor ‘zo’n man als [medeverdachte 3] die de boel vermoedelijk had opgelicht’. Een deel van het personeel is weggegaan. De rest van het personeel kwam in dienst van [G] B.V., een vennootschap van [medeverdachte 3] . Ook [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [verdachte] zijn per 2 januari 2017 in dienst gekomen van [G] B.V. Vanaf die datum werd hun salaris vanuit deze vennootschap, waarvan [medeverdachte 3] middellijk enig aandeelhouder en bestuurder was, betaald. In het kantoorpand [c-straat 1] te [geboorteplaats] is op 28 maart 2017 tijdens een doorzoeking een lijstje aangetroffen met namen en functies van de personeelsleden. Op dat lijstje staan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] als leidinggevenden opgenomen. [verdachte] staat als hoofd secretariaat vermeld.
De inleggelden voor deelname in [projectnaam 1] en [projectnaam 2] , die kort na de start binnenkwamen zijn vrijwel geheel besteed aan operationele kosten zoals salarissen en bonussen, rentevergoeding aan andere beleggers, geringe contante opnamen en overboekingen naar (andere) verdachten. Er werd derhalve evenals bij [A] en [B] niet geïnvesteerd in de aan investeerders voorgespiegelde projecten.
Dat zowel bij [verdachte] , als bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bekend was dat de gang van zaken niet deugde, vindt bevestiging in het navolgende.
In een whatsapp gesprek met [medeverdachte 3] van 17 januari 2017 geeft [verdachte] aan dat zij een klant heeft gebeld en hem heeft gerustgesteld. De man herkende haar stem en dacht dat hij haar eerder had gesproken. [verdachte] zegt in het whatsapp gesprek dat haar naam [alias] is. Naar aanleiding van dit gesprek heeft [verdachte] bij de FIOD verklaard dat [medeverdachte 3] niet wilde dat zij haar eigen naam gebruikte. [B] was toen failliet en er waren een hoop klanten die belden en e-mails verstuurden. Daarom moest [verdachte] klanten bellen en wilde [medeverdachte 3] dat zij een andere naam gebruikte. Het hof concludeert hieruit dat voormalige investeerders in [B] niet mochten weten dat sprake was van feitelijk dezelfde organisatie die onder een andere naam nieuwe obligaties verkocht. Dat [verdachte] ook zelf klanten belde blijkt uit een tapgesprek van 1 maart 2017 waarin zij [medeverdachte 3] informeert dat iedereen lekker aan de bel is en dat zij zelf ook een en ander heeft gebeld. Ook is zij zelf gebeld door een potentiële investeerder, die bij het horen van de naam ‘ [verdachte] ’ aangeeft dat dit een bekende naam is, maar vervolgens als reden geeft dat de dochter van een kennis dezelfde naam heeft. [verdachte] geeft dan richting [medeverdachte 3] aan ‘dat ze het al warm kreeg’, naar het hof begrijpt kennelijk omdat [verdachte] bang was dat de betreffende investeerder een link had gelegd met [B] .
[medeverdachte 1] is in februari 2017 een avond bij [betrokkene 2] geweest, die hem heeft laten zien dat [medeverdachte 3] knipt en plakt van allerlei bedrijven. [medeverdachte 1] heeft zich toen ziek gemeld, maar is enkele dagen later weer naar kantoor gegaan. [medeverdachte 2] vond dat [betrokkene 2] ‘gewoon moest bellen, en niet zo moest zeiken’.
Ook uit een uitgewerkt telefoongesprek tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] van 20 februari 2017 volgt dat bekend was dat investeerders onjuistheden werden voorgehouden. In dat gesprek vertelt [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 3] dat hij een potentiële investeerder heeft voorgehouden dat, indien deze investeerder wil stoppen ‘hij met een week a twee weken zijn centjes weer terug heeft’; op de opmerking van [verdachte] ‘hoe hij dat kan zeggen’, heeft [medeverdachte 2] gereageerd met de opmerking ‘dat dit het verkooppraatje is’.
Witwassen
Het hof leidt uit voorgaande feiten en omstandigheden, die - in samenhang bezien met de als bijlage bij dit arrest gevoegde bewijsmiddelen - redengevend zijn voor de bewezenverklaring, af dat de gelden die door beleggers in de periode december 2016 tot en met 28 maart 2017 zijn overgemaakt voor obligaties in [projectnaam 1] en [projectnaam 2] niet zijn besteed op de wijze zoals dit aan de beleggers is voorgehouden. De ingelegde gelden zijn niet geïnvesteerd in vakantiewoningen in [plaats] , er zijn geen leningen verstrekt aan MKB’ers en er is niet geïnvesteerd in vakantiewoningen in [plaats] .
[verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] waren er al voor december 2016 mee bekend dat hun salaris afkomstig was van verschillende vennootschappen en bankrekeningen en dat zij ineens een ander arbeidscontract kregen dat gelijk was aan het vorige contract. Ook was al bekend dat informatie werd verteld aan potentiële beleggers die niet werd bevestigd door [medeverdachte 3] en waar verder geen aandacht aan werd besteed omdat moest worden verkocht. Vanaf december 2016 waren de verdachten er mee bekend dat verkoop van obligaties nodig was omdat anders (onder meer) hun salarissen niet konden worden betaald. Uit de media hadden ze vernomen dat bij [A] en [B] vermoedelijk sprake was van oplichting. Zij wisten dat de rekeningen bij de bank waren bevroren, dat een deel van het personeel was opgestapt en dat een faillissement was aangevraagd. Uiteindelijk kregen ze een deel van hun salaris die maand in contanten.
Half december is het verkoopkantoor verplaatst van [betrokkene 4] naar [geboorteplaats] en moest alles wat het nieuwe kantoor in [geboorteplaats] in verband kon brengen met [A] en [B] verdwijnen. De verkopers hielden voor potentiële beleggers verborgen dat zij tot voor kort obligaties hadden verkocht voor [B] . [verdachte] ging zelfs zo ver dat zij op aandringen van [medeverdachte 3] een andere naam heeft gebruikt. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] schuwden geen enkel middel om beleggers over de streep te trekken door leugens te vertellen die zij ‘verkooptools’ en ‘verkooppraatjes’ noemden. Dit was ook de gebruikelijke werkwijze bij [B] , toen werd verzonnen waar windmolens werden aangekocht of gebouwd (‘in [plaats] of [plaats] ’) en waarvoor subsidie zou worden gekregen. Deze werkwijze is voortgezet nadat in december obligaties voor nieuwe beleggingen werden verkocht. [medeverdachte 3] verzon een verhaal over vakantiehuisjes, [verdachte] maakte berekeningen die aan klanten konden worden verzonden en door [medeverdachte 1] als ‘vage bullshit’ werden omschreven en [medeverdachte 2] vertelde klanten wat hij van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] had gehoord. Het bedenken van manieren om obligaties te kunnen verkopen voor [projectnaam 2] , ging op dezelfde manier. Toen [betrokkene 2] [medeverdachte 1] er op had gewezen dat de informatie die aan klanten werd gestuurd niet waar was, is [medeverdachte 1] na een paar dagen gewoon verder gegaan met zijn werkzaamheden. [medeverdachte 2] reageerde op deze informatie dat [betrokkene 2] ‘niet zo moest zeiken’ en gewoon moest bellen.
[verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] lieten beleggers geld overmaken op basis van valse voorwendselen om hun salaris veilig te stellen. Ze vertelden beleggers bewust onwaarheden en wisten (mede) daarom dat hun geld slechts kon worden overgemaakt met geld dat (mede) van oplichting afkomstig was. Hun wetenschap hiervan kan in ieder geval worden bewezen vanaf het moment dat publicaties over oplichting bij [B] in de media verschenen, de bankrekeningen van [B] werden bevroren en het kantoor werd verplaatst, waarbij elke link met [B] moest worden vernietigd, terwijl op dezelfde wijze werd voortgegaan met de verkoop van nieuwe verzonnen producten. Het hof acht op die grond het ten laste gelegde witwassen over de periode 1 december 2016 tot 28 maart 2017 bewezen.
Wat betreft het door de verdediging gevoerde verweer, dat van personeel op de werkvloer niet kan worden verwacht dat zij zelf een due diligence onderzoek uitvoeren naar de herkomst van hun salaris, overweegt het hof dat het in casu niet gaat om de verkoop van producten die geoorloofd zijn, maar om de verkoop van het product oplichting, waar de verdachten zelf in hebben geparticipeerd. Het verweer wordt op die grond verworpen.
Dat de verdachte er van mocht uitgaan dat haar salaris in februari en maart 2017 afkomstig was van een (legale) lening die [medeverdachte 3] medio februari 2017 zou hebben afgesloten of van verkoopopbrengsten van zijn auto, kan in de gegeven omstandigheden niet worden gevolgd.
De overige verweren van de verdediging vinden hun weerlegging in het vorenoverwogene.”