Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
20 januari 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd vrijgesproken van schuldwitwassen van een Audi A4 die afkomstig was uit faillissementsfraude. Het hof oordeelde dat verdachte de auto op zijn naam had laten zetten op verzoek van zijn vader, die failliet was, waardoor de werkelijke rechthebbende werd verhuld.
Het cassatiemiddel klaagde over de motivering van de bewezenverklaring omtrent het schuldwitwassen, met name over de vraag of tenaamstelling van het voertuig voldoende bewijs is voor feitelijke beschikkingsmacht. De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het hof ontoereikend gemotiveerd was, maar dat dit de bewezenverklaring niet aantastte omdat ook vaststond dat verdachte de rechthebbende heeft verhuld.
Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de cassatieprocedure was overschreden, maar omdat geen straf of maatregel was opgelegd, werd hieraan geen rechtsgevolg verbonden. Het cassatieberoep werd verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de vrijspraak van schuldwitwassen blijft in stand.