Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
20 januari 2026.
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam, waarin de verdachte is vrijgesproken van schuldwitwassen van een Audi A4. De Hoge Raad heeft op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in deze zaak, met nummer 23/04938. De verdachte had de auto op zijn naam laten zetten, wat door het hof werd gezien als een aanwijzing voor het verwerven en voorhanden hebben van de auto. De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens concludeerde tot verwerping van het beroep, en de Hoge Raad volgde deze conclusie. De Hoge Raad oordeelde dat de motivering van het hof ontoereikend was, maar dat dit de bewezenverklaring niet aantastte. De verdachte had de auto op verzoek van zijn vader, die in faillissement verkeerde, op zijn naam laten zetten, waardoor verhuld werd wie de rechthebbende op het voertuig was. De Hoge Raad constateerde ook dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, maar verbond hieraan geen rechtsgevolg. Uiteindelijk werd het beroep verworpen.