Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:791

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
24/04675
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 289 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in hoger beroep moordzaak

De verdachte werd door de rechtbank Den Haag veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf voor moord op zijn vrouw in 2020. In hoger beroep werd de zaak behandeld door het hof, dat oordeelde dat er geen overschrijding van de redelijke termijn had plaatsgevonden, ondanks dat de verdachte gedurende de procedure in voorlopige hechtenis zat.

De Hoge Raad stelde vast dat het hof onbegrijpelijk had geoordeeld dat de redelijke termijn voor behandeling in hoger beroep twee jaar bedroeg, terwijl de verdachte in voorlopige hechtenis verbleef. In dat geval geldt een kortere redelijke termijn van zestien maanden, die op 25 augustus 2023 was verstreken.

De Hoge Raad vernietigde daarom het deel van het arrest dat de duur van de gevangenisstraf betrof en verminderde de straf met zes maanden tot negen jaar en zes maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen. De overschrijding van de redelijke termijn werd erkend, maar zonder verdere rechtsgevolgen.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van tien naar negen jaar en zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/04675
Datum22 mei 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 18 december 2024, nummer 22-001194-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat I.R. Rigter bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar bevind van zaken en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof ten aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).
3.2.1
De verdachte is door de rechtbank Den Haag veroordeeld bij vonnis van 13 april 2022. Tegen dat vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Uit de stukken zoals weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5.2 blijkt dat de verdachte zich vanaf 21 oktober 2020 in verband met de zaak in voorlopige hechtenis bevindt.
3.2.2
De uitspraak van het hof houdt over de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in:
“Voor zover er een schending van de redelijke termijn in hoger beroep kan worden vastgesteld, is deze overschrijding geheel te wijten aan de verdediging. De inhoudelijke behandeling van de zaak kon immers niet reeds op 29 februari 2024 worden afgerond, nu de raadsman bij die zitting een wrakingsverzoek heeft gedaan.”
3.3
Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat als de zaak op 29 februari 2024 zou zijn afgerond, geen sprake zou zijn geweest van een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Dat oordeel is niet begrijpelijk, omdat daarin als oordeel van het hof besloten ligt dat de redelijke termijn voor behandeling van de zaak in hoger beroep twee jaren bedraagt, terwijl de verdachte zich in verband met deze zaak gedurende de behandeling in hoger beroep in voorlopige hechtenis bevond. Daarom was een redelijke termijn van zestien maanden van toepassing, die op 25 augustus 2023 was verstreken.
3.4
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld. Dat moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van tien jaren.
3.5
De Hoge Raad zal zelf de zaak afdoen.

4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze negen jaren en zes maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
22 mei 2026.