Uitspraak
1.Procesverloop
De advocaat van de vliegers heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
22 mei 2026.
Hoge Raad
In deze zaak hebben twee vliegers, woonachtig in het buitenland, cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag dat hun vordering tegen KLM afwees. De vordering betrof een vergoeding in verband met een naheffing inkomstenbelasting die de vliegers moesten betalen vanwege een wijziging in het belastingverdrag.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere arresten, waaronder het arrest van 22 september 2023, en beoordeelt de klachten van de vliegers over het hofarrest. De klachten leiden niet tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad motiveert dit niet nader omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt de vliegers tot betaling van de proceskosten aan de zijde van KLM. De zaak betreft een arbeidsrechtelijke kwestie met betrekking tot goed werkgeverschap en fiscale gevolgen van internationale arbeidsrelaties.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de vliegers en bevestigt het arrest van het hof dat KLM niet aansprakelijk is voor de naheffing inkomstenbelasting.