Het hofheeft het vonnis van de kantonrechter vernietigd en voor recht verklaard dat Hazet niet gehouden is om deel te nemen in Bpf MITT. Naar het oordeel van het hof valt Hazet onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit, maar is het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat Bpf MITT zich op het verplichtstellingsbesluit beroept. Daartoe heeft het hof, samengevat, onder meer het volgende overwogen.
De kernactiviteit van Hazet is het drijven van een groothandel, gericht op de verkoop van schoonmaak- en hygiëneproducten aan met name grote ondernemingen (zoals fastfoodbedrijven, zorginstellingen en hotels). Onderdeel van het assortiment is werkkleding en Hazet biedt de mogelijkheid om die werkkleding te voorzien van een bedrijfslogo. (rov. 3.4.5)
Het toevoegen van een logo moet worden opgevat als het bewerken van een kledingstuk waardoor een ander gebruiksvoorwerp ontstaat, namelijk bedrijfskleding voor de desbetreffende klant. (rov. 3.4.7)
Hazet valt onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit, hoewel het aanbrengen van de logo’s op bedrijfskleding maar een klein onderdeel van haar activiteiten betreft. Hazet houdt zich hiermee bedrijfsmatig bezig en behaalt daaruit omzet. Het verplichtstellingsbesluit kent geen hoofdzaakcriterium. De omstandigheid dat deze werkzaamheden slechts een gering deel van de activiteiten van Hazet betreffen, kan niet leiden tot de conclusie dat Hazet niet onder de werkingssfeer valt. Dan zou het hof immers zelf een ondergrens vaststellen, waarmee het de cao-norm zou verlaten. Dan zou aan de tekst van het verplichtstellingsbesluit een eigen invulling worden gegeven die daarin niet valt te lezen en daaruit ook niet afgeleid kan worden, ook niet als onaannemelijk rechtsgevolg. Anders dan Hazet heeft aangevoerd, is honorering van het standpunt van Bpf MITT niet een kwestie van een ruime uitleg, maar van een uitleg volgens de cao-norm van een ruime definitie. Het hof kan die ruime definitie niet opzij zetten en kan uit het doel en de strekking van de Wet Bpf 2000 niet afleiden dat de activiteiten van Hazet te gering zijn om onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit te vallen. Het hof kan die ruime definitie niet zó uitleggen dat die werkingssfeer wordt aangepast of ingeperkt. (rov. 3.4.9)
Hazet heeft aangevoerd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Bpf MITT zich op het verplichtstellingsbesluit beroept. Hazet heeft aangevoerd dat het aanbrengen van de logo’s slechts een geringe activiteit betreft voor haar onderneming, gelet op zowel de daarmee gegenereerde omzet, het gebruikte vloeroppervlak als het aantal werknemers. Bpf MITT heeft twijfels over de juistheid van de gegevens en heeft betoogd dat de omzetcijfers alleen zien op borduren, terwijl iedere vorm van bewerking, ongeacht de techniek, onder het bereik van het verplichtstellingsbesluit valt. (rov. 3.5.1-3.5.2)
Het is onaannemelijk dat de logo’s niet als een geringe zijdelingse activiteit moeten worden beschouwd, ook als er omzet ter zake van de logo’s is weggelaten. Het gaat niet om de omzet van de kleding, maar om de omzet ter zake van het aanbrengen van de logo’s (dat een klant nog een kleur moet kiezen is slechts een kwestie van een bestelkeuze en niet van een bewerking of verwerking door Hazet). (rov. 3.5.3)
Voor de vraag of het beroep van Bpf MITT in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, gaat het vooral om de omstandigheden waarin Hazet verkeert. Daarom is vooral van belang of het aanbrengen van de bedrijfslogo’s een geringe activiteit is ten opzichte van de rest van de onderneming van Hazet. Hazet is een groothandel en heeft behalve met het aanbrengen van bedrijfslogo’s niets van doen met de textielbranche. Het gevolg van verplichtstelling is dat de gehele onderneming wordt aangesloten, dus ook onderdelen die helemaal niets te maken hebben met het aanbrengen van bedrijfslogo’s. Afgezet tegen de andere activiteiten van Hazet, zijn er onvoldoende aanwijzingen dat het aanbrengen van logo’s voor Hazet méér dan een geringe bedrijfsactiviteit betreft. (rov. 3.5.3)
Verder is van belang dat Hazet een eigen pensioenregeling heeft. Hazet heeft naar voren gebracht dat zij met een verplichte aansluiting bij Bpf MITT veel duurder uit zou zijn dan haar concurrenten, terwijl zij een gelijkwaardige regeling heeft. Weliswaar heeft Bpf MITT aangevoerd dat die regeling voor de werknemers minder gunstig is dan de pensioenregeling van Bpf MITT, maar dat laat onverlet dat er wel een pensioenregeling is. De actuaris van Bpf MITT is van mening dat deze in beginsel vanaf 2019 gelijkwaardig is, behoudens een nog te geven onderbouwing bij de veronderstelde rekenrente (waarop partijen niet verder zijn doorgegaan maar deze procedure zijn begonnen). Deze omstandigheid, samen met al hetgeen hiervoor is overwogen, moet meewegen in de beoordeling. Daarbij heeft het hof uiteraard ook meegewogen dat en waarom Bpf MITT belang heeft bij naleving van het verplichtstellingsbesluit. (rov. 3.5.4)
De slotsom is dat de verplichtstelling ertoe leidt dat Hazet – die duizenden producten verhandelt die niets te maken hebben met textiel maar vooral met schoonmaak en hygiëne – voor al haar werknemers de pensioenregeling van Bpf MITT moet volgen, terwijl slechts een fractie van het personeel zich bezighoudt met activiteiten waarvoor de pensioenregeling van Bpf MITT is bedoeld en alle werknemers al een pensioenregeling hebben. Alles tegen elkaar afwegende betreft dit zo’n uitzonderlijke situatie dat het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Bpf MITT zich beroept op het verplichtstellingsbesluit. (rov. 3.5.5)