Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
26 mei 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor feitelijk leidinggeven aan het door zijn uitzendbureau gepleegde valsheid in geschrift, waarbij valse salarisspecificaties en kwitanties werden opgenomen van vijf uit Oost-Europa afkomstige werknemers. Het hof legde een gevangenisstraf van negen maanden op, waarvan drie maanden voorwaardelijk, en hield bij de strafoplegging rekening met andere fraudegevallen die niet aan de verdachte ten laste waren gelegd.
In hoger beroep werd het verzoek van de verdediging om getuigen te horen afgewezen omdat het onvoldoende was onderbouwd en niet concreet was gemaakt welke getuigen men wenste te horen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht kon aannemen dat sprake was van grootschalige fraude en dat het verzoek tot het horen van getuigen terecht werd afgewezen.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de verdachte zonder nadere motivering, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, omdat de klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof.
Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatie en bevestigt gevangenisstraf van negen maanden, waarvan drie voorwaardelijk, voor feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrift.