Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:809

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
25/02291
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 22 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep inzake vordering tot betaling van legaat

In deze zaak stond een vordering tot betaling van een legaat centraal, waarbij de erfgenaam als eiseres in cassatie optrad tegen de legataris. De procedure begon bij de rechtbank Oost-Brabant met vonnissen in september 2021 en juli 2022, waarna het gerechtshof 's-Hertogenbosch in maart 2024 en maart 2025 arresten wees. De erfgenaam stelde beroep in cassatie in tegen deze arresten.

De Hoge Raad heeft de klachten van de erfgenaam over de arresten van het hof beoordeeld. Volgens artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie was het niet nodig om de klachten inhoudelijk te motiveren, omdat deze niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Daarom verwierp de Hoge Raad het cassatieberoep zonder nadere motivering.

Daarnaast veroordeelde de Hoge Raad de erfgenaam in de kosten van het cassatiegeding, begroot op € 3.105,-- vermeerderd met wettelijke rente indien niet tijdig voldaan. Het arrest werd op 29 mei 2026 gewezen door de president en vier raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de erfgenaam wordt verworpen en zij wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer25/02291
Datum29 mei 2026
ARREST
In de zaak van
[Erfgenaam], in hoedanigheid van vereffenaar en enig erfgenaam in de nalatenschap van [erflater],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
hierna: Erfgenaam,
advocaat: A.C. de Bakker,
tegen
[Legataris],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: Legataris,
advocaten: M. van Tiel en M.J. van Basten Batenburg.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/01/371557 / HA ZA 21-380 van de rechtbank Oost-Brabant van 1 september 2021 en 13 juli 2022;
b. de arresten in de zaak 200.318.444/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 26 maart 2024 en 25 maart 2025.
Erfgenaam heeft tegen de arresten van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Legataris heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor Legataris toegelicht door haar advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van Erfgenaam heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over de arresten van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de arresten. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt Erfgenaam in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Legataris begroot op € 905,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Erfgenaam deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de president G. de Groot als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, A.E.B. ter Heide en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
29 mei 2026.