ECLI:NL:HR:2026:81

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
24/00492
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlies van geldigheid rijbewijs door recidive in verkeersdelicten

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch. De verdachte, geboren in 1971, was op 7 juni 2021 in Eindhoven aangehouden voor het rijden zonder geldig rijbewijs. Het rijbewijs van de verdachte was ongeldig verklaard op basis van de recidiveregeling in artikel 123b van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). De verdachte had eerder, op 14 april 2015, een veroordeling voor een verkeersdelict gekregen en op 5 juli 2018 was hij veroordeeld voor het weigeren van een bloedproef. De vraag die centraal stond in deze zaak was of het Belgische rijbewijs van de verdachte zijn geldigheid had verloren op het moment dat de tweede veroordeling onherroepelijk werd, en of de verdachte hiervan op de hoogte was.

Het hof oordeelde dat de recidiveregeling van toepassing was en dat het rijbewijs van rechtswege ongeldig werd op het moment dat de tweede veroordeling onherroepelijk werd, in dit geval op 20 juli 2018. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatiemiddel van de verdachte, dat stelde dat voor de toepassing van de recidiveregeling uitgegaan moest worden van het moment waarop het feit was gepleegd dat leidde tot de tweede veroordeling. De Hoge Raad oordeelde dat de geldigheid van het rijbewijs verloren gaat op het moment dat de tweede veroordeling onherroepelijk wordt, en dat de verdachte op de hoogte was van de ongeldigheid van zijn rijbewijs op het moment van de aanhouding.

De uitspraak van de Hoge Raad biedt duidelijkheid over de toepassing van de recidiveregeling in de Wegenverkeerswet en bevestigt dat de geldigheid van een rijbewijs verloren gaat bij onherroepelijke veroordeling voor verkeersdelicten binnen de gestelde termijn van vijf jaar.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/00492
Datum20 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 2 februari 2024, nummer 20-002079-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J.P.M. Mol bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de recidiveregeling van artikel 123b van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) van toepassing is.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 7 juni 2021 te Eindhoven, op de weg, de [b-straat] , als bestuurder een motorrijtuig (personenauto), van categorie B heeft bestuurd, terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs zijn geldigheid had verloren en dat hij bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs moet voldoen aan de bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 123b, derde lid, gestelde voorwaarden, en aan hem geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven.”
2.2.2
Het hof heeft over de bewezenverklaring overwogen:
“Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Bespreking verweer
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde bepleit en heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Het Belgische rijbewijs van de verdachte is niet ongeldig omdat de verdachte in 2017, derhalve ten tijde van het weigeren van de bloedproef waarvoor hij op 5 juli 2018 voor de politierechter te ’s-Hertogenbosch is gedagvaard, niet in Nederland woonachtig was. Voor de toepasselijkheid van artikel 123b, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), inhoudende dat een in het buitenland afgegeven rijbewijs zijn geldigheid verliest indien de houder in Nederland woonachtig is, is volgens de raadsman van de verdachte bepalend de datum van het plegen van het strafbare feit op grond waarvan het rijbewijs ongeldig zou zijn geworden, in casu 21 juli 2017. Nu verdachte op dat moment in België woonachtig was heeft het Belgische rijbewijs van de verdachte zijn geldigheid niet verloren en dient de verdachte te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde rijden zonder geldig rijbewijs op 7 juni 2021. Een andere uitleg zou volgens de raadsman betekenen dat op grond van het legaliteitsbeginsel er sprake zou zijn van strijd met het zekerheidsbeginsel en het verbod van willekeur. Immers, het Openbaar Ministerie zou anders met zijn vervolgingsbeslissing invloed kunnen uitoefenen op de vraag wanneer er sprake is van een onherroepelijk vonnis voor de tweede overtreding en of het bepaalde van lid 5 van toepassing is. Een verdachte verkeert in deze situatie in onzekerheid, hetgeen anders is indien wordt uitgegaan van de pleegdatum van de tweede overtreding.
Het hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 november 2023 is de verdachte op 14 april 2015 onherroepelijk veroordeeld ter zake een overtreding van artikel 8 WVW tot een geldboete. Op 10 augustus 2016 heeft de verdachte zijn Nederlandse rijbewijs omgewisseld voor een Belgisch rijbewijs.
Op 21 juli 2017 heeft de verdachte geweigerd mee te werken aan een op grond van de Wegenverkeerswet bevolen bloedonderzoek. Voor deze overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet is de verdachte op 5 juli 2018 veroordeeld door de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, welk vonnis op 20 juli 2018 onherroepelijk is geworden. De mededeling dat het rijbewijs van de verdachte van rechtswege ongeldig is, is aan de verdachte in persoon uitgereikt op 16 augustus 2018. In de mededeling staat vermeld dat het rijbewijs ongeldig is geworden op de datum dat het vonnis onherroepelijk is geworden.
Op 7 juni 2021 wordt de verdachte in Eindhoven aangehouden wegens rijden zonder geldig rijbewijs. De tenlastelegging is toegesneden op artikel 9 lid 2, eerste en tweede volzin WVW.
Blijkens de Informatiestaat SKDB d.d. 15 november 2023 staat de verdachte vanaf 28 maart 2018 ingeschreven op het BRP adres Eckartseweg Noord 242 in Eindhoven.
Artikel 123b van de Wegenverkeerswet 1994, voor zover van toepassing in de onderhavige zaak, luidde op 7 juni 2021:
Lid 1: Onverminderd de artikelen 123, eerste lid, en 123a
verliest een rijbewijs zijn geldigheidvoor alle categorieën waarvoor het is afgegeven en voor de resterende duur van de geldigheid,
indien de houder bij onherroepelijke rechterlijke uitspraakals bestuurder van een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs is vereist, is veroordeeld wegens overtreding van:
(...)
e.
artikel 163, tweede,
zesdeof zevende lid,
een en ander voor zover ten tijde van het begaan van het strafbare feit nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert de houder als bestuurder van een motorrijtuig onherroepelijk is veroordeeldwegens overtreding van (onderstreping, het hof)
(...)
3°. artikel 163, tweede, zesde of zevende lid.
Lid 5: Voor de toepassing van dit artikel wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.
Artikel 9, tweede lid, WVW luidde op 7 juni 2021:
Het is degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard, indien aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën is afgegeven, verboden op de weg een motorrijtuig van die categorie of categorieën dan wel gedurende dat gedeelte van de geldigheidsduur te besturen of als bestuurder te doen besturen.
Hetzelfde verbod geldt voor degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs zijn geldigheid heeft verlorenen dat hij bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs moet voldoen aan de bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 123b, derde lid, gestelde voorwaarden, tenzij aan hem, nadat hij aan deze voorwaarden heeft voldaan, een ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën is afgegeven (onderstreping, het hof).
De vraag waar het hof zich in de onderhavige zaak voor ziet gesteld is of het Belgische rijbewijs van de verdachte op grond van artikel 123b, eerste lid in combinatie met het vijfde lid, WVW zijn geldigheid heeft verloren en zo ja, vanaf welke datum het rijbewijs dan ongeldig is en of de verdachte van de ongeldigheid op de hoogte was.
De recidiveregeling voor ernstige verkeersdelicten, zoals die met ingang van 1 juni 2011 in werking is getreden, houdt in dat indien een rijbewijshouder binnen vijf jaar na een vorige onherroepelijke veroordeling wegens bijvoorbeeld een alcoholdelict (het eerste punt) wordt betrapt op bijvoorbeeld een nieuw alcoholdelict (het tweede punt) en daarvoor onherroepelijk wordt veroordeeld, het rijbewijs van rechtswege ongeldig wordt. De recidiveregeling is opgenomen in artikel 123b van de Wegenverkeerswet 1994. Uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel betreffende deze recidiveregeling leidt het hof af dat het moment waarop de recidiveperiode begint te lopen het moment is waarop de veroordeling onherroepelijk wordt.
Het hof stelt aldus vast dat voor de vraag wanneer de recidivetermijn begint alleen bepalend is dat een onherroepelijke strafrechtelijke afdoening is voorafgegaan. Het hof sluit hierbij aan voor de uitleg van de wettekst van artikel 123b, eerste lid, WVW en is derhalve van oordeel dat het rijbewijs van rechtswege ongeldig wordt nadat de veroordeling voor het tweede feit eveneens onherroepelijk is geworden. Het hof merkt daarbij op dat het vijfde lid van artikel 123b WVW naar het oordeel van het hof enkel uitleg biedt wat onder “rijbewijs” moet worden verstaan, bij de toepassing van het eerste lid van artikel 123b WVW.
Het houdt niet in een regeling of een bepaling voor de aanvangstermijn van de ongeldigheid van het rijbewijs. Van belang is, dat op het moment waarop het vonnis onherroepelijk werd, op 20 juli 2018, verdachte, die in het bezit was van een Belgisch rijbewijs, in Nederland woonde, waardoor het rijbewijs op die datum van rechtswege ongeldig werd.
Het verweer wordt verworpen.
Aangezien de verdachte op 20 juli 2018 woonachtig was in Nederland is het Belgisch rijbewijs van de verdachte op die datum van rechtswege ongeldig geworden. Voorts is de mededeling dat het rijbewijs van de verdachte van rechtswege ongeldig is geworden per datum onherroepelijkheid van het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant d.d. 5 juli 2018, aan de verdachte in persoon uitgereikt op 16 augustus 2018. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte op 7 juni 2021 wist dat hij een auto bestuurde terwijl zijn rijbewijs zijn geldigheid had verloren, zoals ten laste is gelegd. Het hof komt aldus tot een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde.”
2.3
Artikel 123b lid 1 en 5 WVW 1994 luidt:
“1. Onverminderd de artikelen 123, eerste lid, en 123a verliest een rijbewijs zijn geldigheid voor alle categorieën waarvoor het is afgegeven en voor de resterende duur van de geldigheid, indien de houder bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak als bestuurder van een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs is vereist, is veroordeeld wegens overtreding van:
(...)
e. artikel 163, tweede, zesde of zevende lid,
een en ander voor zover ten tijde van het begaan van het strafbare feit nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert de houder als bestuurder van een motorrijtuig onherroepelijk is veroordeeld wegens overtreding van
(...)
2°. artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid,
(...)
5. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.”
2.4
Op grond van artikel 123b lid 1 WVW 1994 verliest een rijbewijs van rechtswege zijn geldigheid als aan de in die bepaling gestelde voorwaarden is voldaan. Daarvan is, kort gezegd, sprake bij recidive van verkeersdelicten die met middelengebruik verband houden. Het verlies van de geldigheid van het rijbewijs is daarbij het directe gevolg van het onherroepelijk worden van een tweede veroordeling voor zo’n delict dat is begaan binnen de in artikel 123b lid 1 WVW 1994 genoemde periode van vijf jaren. (Vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2350.) Dit betekent dat de geldigheid van het rijbewijs verloren gaat op het moment dat die tweede veroordeling onherroepelijk wordt. Het kan, zoals uit artikel 123b lid 5 WVW 1994 volgt, ook gaan om het verlies van de geldigheid van een rijbewijs dat door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland is afgegeven, als de houder daarvan in Nederland woonachtig is. Van dit woonachtig zijn in Nederland moet eveneens sprake zijn op het moment dat de tweede veroordeling onherroepelijk wordt.
2.5
Het cassatiemiddel faalt, omdat het steunt op de andersluidende en daarom onjuiste opvatting dat voor het woonachtig zijn in Nederland, als bedoeld in artikel 123b lid 5 WVW 1994, moet worden uitgegaan van het moment waarop het feit is gepleegd dat heeft geleid tot de tweede veroordeling als bedoeld in artikel 123b lid 1 WVW 1994.

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
20 januari 2026.